HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 14

JPEG (Deze pagina), 0.99 MB

TIFF (Deze pagina), 8.51 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

n
l
j 12 DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH.
het moederland was aangespoord, om den reeds zeer lang volgehouden
krijg met een coup d’éclat te doen eindigen, zeker is het, dat zulk eene
belangrüke beweging voorwaarts, en geheel in strüd met zijne vroegere
instructiën, door al de ter plaatse aanwezige bevelhebbers als ontüdig
` en niet genoegzaam voorbereid ernstig werd ontraden. In weerwil der `>
geopperde bedenkingen, vooral ook ten aanzien van de slechte gezindheid
der Maleiers in die streken, werd de voorgenomen beweging aangevan-
gen ; ........ maar niet ten einde gebracht. Aan geen der drie colonnes,
die van verschillende kanten erop aanrukten, mocht het gelukken’t aan-
gewezen punt te bereiken. Overal werden zü niettegenstaande wonderen
van dapperheid met groot verlies teruggeslagen. Tengevolge van de
hardnekkige verdediging, onoverkomelijke terreinhindernissen, verloop van
koelies, verraad, gebrek aan leeftocht en krügsbehoeften, werden zij
genoodzaakt den terugtocht aan te nemen, en de gouverneur­generaal
die meende alles aan zijnen wil te kunnen onderwerpen en reeds den
dag bepaald had waarop Bondjol vallen moest, zag zich niet alleen
in zijne plannen teleurgesteld, maar ons prestige werd een slag toege-
bracht zoo als ’t nog nimmer had geleden.
Er was aan den wensch tot een krachtiger optreden voldaan, de
afwachtende met een aanvallende houding verwisseld, en . . . . . een bitter
leergeld betaald. Doch er was meer; nauwelijks toch begon men zich
eenigermate van het geleden échec te herstellen, of de eenheid in han-
delen ging verloren door het civiele en militaire gezag te verdeelen,
wat bovendien tot ernstige botsing tusschen de hoogste autoriteiten l
aanleiding gafï .
Onder zulke ongunstige omstandigheden moesten de onderhandelingen l
met de oorlogspartij worden hervat en weldra zag men zich genoodzaakt l
tot een geregeld beleg van Bondjol over te gaan.
Gelük de kraton der sultans van Atjih het palladium der Atjineezen
genaamd werd, mocht Bondjol als dat der padri’s worden beschouwd.
Hun behoud was het behoud van ’t land ­- zoo sprak men -­ en na "
den val van die door Atjinees en padri onneembaar geachte sterkten,
beide hoofdzetels van ’s vüands macht, moest een algeheele onder- ,
werping spoedig volgen. Die onderwerping echter volgde niet en dat
mocht terecht eene teleurstelling heeten. De verovering van Kota Radja
ligt versch in het geheugen (‘). die van Bondjol behoort reeds langer tot
de geschiedenis maar bij onze beschouwing mag noch wat onlangs v
aan de oevers der Atjih, noch ’tgeen vroeger aan de boorden der
Alahan·Pand_jang voorviel, hier onopgemerkt voorbijgegaan worden. `
Vielen de beide hootïlobjecten - missigit en kraton - .... >>een j
ledige kraton" .... werd wel eens smalend gezegd - zeven en veertig
dagen na de landing zonder groot verlies in onze handen, de verovering
van Bondjol met de daarachter op den Boekit­Terdjadi aangelegde ver·
C') De Tüdspiegcl 1875.
(T) Zie het reeds genoemde werk van Lange.