HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 12

JPEG (Deze pagina), 1.01 MB

TIFF (Deze pagina), 8.53 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

l
ä
l
10 DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH.
l
g maakt; zij gingen al spoedig aanvallend te werk, en onder een opvolgend
lt bestuur was de toestand er niet op verbeterd.
In 1831 nam de luit. kolonel Elout het burgerlijk en militair gezag
i in handen, met opdracht den weg van onderhandeling en overreding in
te slaan en, zich vooralsnog van alle olïensieve operatiën te onthouden.
» Verkenningen mochten slechts plaats hebben als men voorzag dat geene
ernstige gevechten daaruit zouden volgen. >>De aanval van eenig dorp
of vijandelijke sterkte, zonder vooraf bekomen last, werd echter uit-
drukkelijk verboden, al mocht de gelegenheid daartoe ook gunstig zijn." ,
Merkwaardig is de overeenkomst tusschen de aanvankelijk in Atjih _ "
gevolgde gedragslijn en sommige in de geheime instructie van dezen Y
r hoofdofficier voorkomende punten C). Later heeft men zich bitter be-
l klaagd, van het destijds vooropgestelde beginsel te zijn afgeweken, om j
overal, waar geen uitgebreid territoriaal eigendom verkregen was, >>het 1.
uitteoefenen gezag niet verder uittestrekken, dan het bereik van ons
geschut." I
De geschiedenis verder volgende, ontwaart men dat onze troepen ­­­
al was het in veel minder mate dan te Atjih ­- toch ook in het Pa-
dangsche bergland den tol aan te groote vermoeienis in een tropisch ,
· klimaat moesten betalen. Evenals daar werden zij door koortsen ge-
teisterd, door afmattende patrouille­diensten uitgeput en alléén of in Y
kleinen getale zich op weg begevende manschappen nu en dan ver- j
moord; zoodat bg al die verliezen ook daar eene gestadige aanvulling
I noodzakelijk was; te meer met het oog op de vruchteloos aangewende
p pogingen om met de oorlogspartü in onderhandeling te komen. Gelukkig p
i bleef in een reeks van gevechten de zege meerendeels aan onze zijde, T
menig vüandig hoofd en verscheiden landschappen legden de wapens I
neder ; en nadat Michiels een gedeelte der kust van vijanden gezuiverd I .
had, »zag men niets dan rijke bronnen van welvaart in het verschiet",
en toen, na de onderwerping van Bondjol ­­ de hoofdzetel der padri’s-
het leger nog aanzienlijk vermeerderd werd, volgde al spoedig de onder-
werping van andere districten, zoodat op het einde van 183.3 alleen de
XIII kotas nog vermeesterd moesten worden. Daar echter de krijgs-
macht niet toereikende was, om alle landstreken die het Nederlandsche
gezag erkenden naar behooren te bezetten of te beschermen, en ten =
einde onze reeds zeer verdeelde strijdkrachten niet nog meer te ver-
snipperen, begreep men terecht, nieuwe versterking te moeten afwachten V
alvorens zich van dat district meester te maken. ·
De punten van overeenkomst met den tegenwoordigen toestand op _
Atjihs gebied springen hier vrij duidelijk in het oog. l
Nauwelijks echter is het jaar 1833 aangebroken of alles is als met `
een tooverslag veranderd, en veel van wat met zooveel inspanning na
jarenlangen strijd gewonnen was ging in een oogwenk verloren.
(*) Zie: Het Nederlandsch O0st­Iueli.sc/z leger ter westkust van Sumatra (18].8-1845); door
H. M. Lange. gep. luit. kol. van het Ned Oost­Indische leger. lg