HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 11

JPEG (Deze pagina), 0.98 MB

TIFF (Deze pagina), 8.50 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

K1
l
l
DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH. 9
een verder openlijk en feitelük optreden in den oorlog teruggehouden i
en kan later tot een oprecht bondgenootschap leiden. .
Om billijk te zün mag men het geen gegronde teleurstelling noemen -
ik kom hier later op terug - wanneer eene expeditie langer duurt
". dan men zich voorstelde, of eene totale overwinning niet zóó spoedig
j behaald wordt als men wel wenschte. Er dient rekening gehouden te l
worden met de bestaande bezwaren, met de nadeelige kansen en de vele
moeilijkheden, niet zoo als men ze zich gelieft voor te spiegelen, maar
zoo als ze zich in de werkelijkheid voordoen, en die zoogenaamde i
teleurstelling mag de reeds verkregen voordeelen niet doen vergeten.
Wanneer men de geschiedenis raadpleegt, zich een duidelijker denkbeeld
vormt van wat te Atjih moet worden verkregen, zonder zich te veel
l om telegrammen en particuliere berichten te bekommeren, maar bovenal
_; met wat meer geduld en een minder hard oordeel, zullen velen wel­
licht ook minder pessimistisch gestemd worden en erkennen, dat hier
il in een paar jaren meer verkregen is, dan waarvoor men bij andere
expeditiën veel meer tijd noodig had.
yl Eene vergelijking van ’tgeen in Atjih gebeurde met wat in de Pa-
dangsche­bovenlanden voorviel , waar de kans dikwerf zóó hachelijk stond,
dat men alles verloren waande, zal het bovenstaande kunnen bevestigen.
j Ook dáár was veel in ons voordeel, want hoewel de door fanatisme
l opgewonden en verblinde padri in menig opzicht een even geduchte
j vüand was als de Atjinees, hadden wij een aanzienlük deel der bevol-
king op onze hand, en al viel er op de strijdkrachten, den goeden wil
. en eene duurzame medewerking der Maleiers weinig te rekenen, als
koelies en gidsen bewezen zij uitstekende diensten. Bovendien waren
j terrein, klimaat en plaatselijke hulpmiddelen ons verreweg gunstiger en
, hadden onze troepen noch met cholera noch met andere ziekten te kampen.
A De eerste jaren van den aldaar gevoerden krijg bieden minder punten
van vergelijking aan. Al waren sedert 1822 bij een niet altijd ge-
=· wettigde agressieve politiek verscheidene gevechten met afwisselende
kans tegen de padri’s geleverd , zoo duurde de oorlog steeds voort,
totdat het den kolonel De Stuers -~ die na het overlijden van den dapperen
overste Raaf? tot diens opvolger benoemd was ~­ gelukte de rust op
Sumatra te herstellen. Aan zün zending getrouw >>om door een vreed-
zaam gedrag van onze zijde den vijanden vertrouwen in te boezemen
en tevens liefde tot vrede en genegenheid om met ons in aanraking te
komen bij hen te verwekken”, bleef de rust bewaard, en wist hij door
een voorzichtig beleid de zaken gaande te houden, zelfs toen in 1826
een groot deel van onze in de bovenlanden ageerende troepen ter ver-
sterking van het leger naar Java werd opgeroepen. De noodzakelijkheid
echter om zich tot een strikt defensieve houding te moeten bepalen, eene
geheel ontoereikende legermacht en de tegenspoed onzer wapenen in
den laatsten tüd hadden de padri’s hoe langer hoe stoutmoediger ge-