HomeVerslag van het bezoek aan de munthuizen te Berlijn, Hannover, Brussel, Londen en Parijs in het najaar van 1873Pagina 43

JPEG (Deze pagina), 557.12 KB

TIFF (Deze pagina), 7.18 MB

PDF (Volledig document), 42.46 MB

41
Rijkswet van 9 Juli 1873 spreekt van «Kupfermünze>> waar-
van de samenstelling later door den Bondsraad is vastge-
steld op 95"/t koper, 4°/0 tin, l"/.. zink.
In Frankrijk daarentegen bepaalt artikel 3 der wet van
6 Mei 1852:
«La tolérance du titre en dessus et en dessous sera
<<d’un centième pour le cuivre et d’un demi­centième pour
«chacun des deux autres métaux.»
Dus de samenstelling van het Fransche brons mag zijn:
koper .... 95 j ‘l
tin ...... 4 jh 0.5
zink ..... 1 gl; 0.5.
De administratie der Belgische Munt heeft zooveel moge-
lijk vastgehouden aan de ruimte, die de Fransche wet toe-
laat, en aan een nauwkeurig scheikundig onderzoek de
partijen bronzen muntstukken doen onderwerpen, welke aan
die Munt voor rekening van vreemde Staten geslagen zijn.
­ Het is gebleken dat het brons, door metaalfabrikanten
aan den Directeur der Brusselsche Munt geleverd, wat
zijne samenstelling betreft, in den regel aan de gestelde
eischen voldaan heeft.
Zoo heeft b. v. het onderzoek van eenige partijen Itali-
aansch brons de gehalten opgeleverd:
koper 95.9 95.45 95.70 95.90
tin 4.0 4.40 4.27 4.06
uëïé @5 eïëz êioïë
‘ Dus de beide metalen waren binnen de door de wet
gestelde ruimte: _