HomeVerslag van het bezoek aan de munthuizen te Berlijn, Hannover, Brussel, Londen en Parijs in het najaar van 1873Pagina 11

JPEG (Deze pagina), 554.17 KB

TIFF (Deze pagina), 7.18 MB

PDF (Volledig document), 42.46 MB

9
en 580 l), dan zou het 25­frankstuk 10 gram kunnen
wegen en evenzoo het 2(Lfrankstuk 10 gram, het eerste
op een gehalte van 725, het tweede op een gehalte van
580 duizendsten. Indien de keuze valt op een gehalte
1 van circa 725 d., dan zou men volgens PELIGOT moeten be-
sluiten tot een ternair alliage van 720 goud, 100 à 125
zilver en 180 a 155 d. koper, om een muntmetaal te i
. erlangen, dat zich deugdelijk laat bewerken en na het
blanchiment de kleur heeft van de gouden munt à 0.900.
. De gewichten der muntstukken zouden zijn:
het 25­frankstuk .... 10 gram
» 20 » .... 8 »
» 10 » ,... 4 1>
‘ >> 5 >> .... 2 »
Doch Pmtioor heeft vooral een studie gemaakt van het
goudalliage à 0.580, dat goudstukken opleveren kan,
wegende:
het 20­trankstuk .... 10 gram
» 10 ·> .... 5 »
>> 5 iv .... 2‘/, » ­
heeft dat alliage samengesteld uit drie metalen, goud,
koper en zink, dit laatste tot een bedrag van circa 60
duizendsten. Zink dat, in zeer geringe hoeveelheden
bijgezet, fijn goud bros maakt, verleent aan een goud-
koperalliage, dat door die toevoeging (50 à 70 d. zink,)
een gehalte erlangt van 580 à 600 d., niet alleen de plet-
baarheid, maar ook de kleur van goud van hooger gehalte,
zoodat, na het blanchiment, genoemd ternair alliage niet
‘) 18­ka1·aat = 0,750; 14i karaat = 0,583**.