HomeDe eerlijkheid en de duitenplaatjesPagina 30

JPEG (Deze pagina), 691.32 KB

TIFF (Deze pagina), 6.76 MB

PDF (Volledig document), 34.41 MB

1"°f E M

l
` 28
aanneming te begunstigen? Blijkt het niet daaruit, dat aan
de Regering de vrije keuze was verbleven, dat zich de
vrije keuze had voorbehouden bij de uitbesteding, om aan
dezen of aan genen de aanneming te gunnen, en dat er
evenwel anderen waren, die op dezelfde voorwaarden daar-
, toe wilden overgaan, en desniettemin deze boven hen de
voorkeur verwierf? Was het niet van belang voor de Re-
gering, 01n bij het doen van die keuze dengene te begun­ `
stigen, van wien zij met regt kon verwachten, dat hij zich
in staat zou vinden, om inderdaad aan de verwachting te
I beantwoorden, van op den bepaalden tijd de duitenplaatjes,
die men verlangde te bezitten, te leveren? En was dat
niet degene, die zich in het bezit van eene fabriek bevond,
die daartoe kon worden gebezigd; of moest een ander
i daarmede begunstigd worden, van wien men vooraf kon
berekenen, dat hij zich niet in de mogelijkheid zou bevin-
den, om die duitenplaatjes op den bepaalden tijd te le-
veren? ‘)"
Men ziet hoe de Heer vAN Gonsrnm, ook na die prach-
tige phrase omtrent Momá en de eerlijkheid nog vrij wat
uraadselachtigs en geheimzinnigs" in de handelingen der
Regering vond; en hoe de verklaring van den Heer VROLIK,
ndat de Ministers zich dien titel en die kroon niet zouden
laten ontrooven," nog altoos voor hem onvoldoende was, i
om de zaak in questie te kunnen begrijpen.
Nadat de Minister van Finantiën zich door den Heer
VAN GOLSTEIN had laten bewegen, om het bewuste proces-
j verbaal aan de kamer over te leggen, ’t welk hr] eenige
k dagen te voren geweigerd had 2), was de beurt aan den
j 1) De Heer van GoLsTnm begreep evenmin iets van de hande-
lingen der Regering als wij. Hij vroeg veel. Is hem dat alles nu
helder geworden? Hij late dan toch van zijn licht wat schijnen op
i ons, die nog ill de duisternis rondtastcn. Of zijn al die vragen
nog niet even onopgelost, als toen hij ze uitsprak?
[ Q) Wij mogen hier niet denken aan een kluehtspel in een drama

I
P
7
1