HomeOpheffing der tiendenPagina 7

JPEG (Deze pagina), 641.37 KB

TIFF (Deze pagina), 6.30 MB

PDF (Volledig document), 12.23 MB

j 5
In ieder geval worden de scliatters, vóór den aanvang
van het werk, in regten beeedigd.
j Ingeval van benoeming der deskundigen door de
Regtbank, wordt te werk gegaan volgens art, 28 der
g wet van 28 Augustus 1851, Staatsblad no. 125.
<
Aar. 7.
j Weide- en bosch­gronden, die evenwel ook geschikt
j zijn voor Cultuur met Tiendpligtige gewassen, worden,
1 ten zij dezelve alreeds hooitiend of ook houttiend
· mogten geven,- berekend naar Een vijfde van hetgene
zij, onder Cultuur zijnde, gemiddeld zouden kunnen
. hebben opgebragt, en wel in verhouding van de overige
j gronden van den Tiendblok, waarin zij gelegen zijn.
{ Woeste gronden en ook zóódanige Weide- en Bosch-
, gronden, die niet meer dan 2 palm boven het ge-
middeld plaatselijk peil van het winterwater liggen,
j noch kunstmatig daarboven worden gehouden, zijn vrij,
indien zij niet alreeds tiend gaven. Desgelijks ook
de gronden waarop gebouwen of getiminerten staan,
boere werften, onmiddelük de gebouwen en getimmer­
ten omgevende, en kennelijk dienstbaar en bestemd
om in hunnen tegenwoordigen staat te blijven. Ook
wateren van meer dan 5 roeden oppervlakte.
Het tiendregt over gronden die nog verkeeren in
het genot van de vrijdómmen der wet van 6 J unij
1840, wordt eerst afgekocht, met den tijd dat zij
j ‘ tiendpligtig zouden zijn geworden. Waarbij dan ook