HomeInleiding tot de wijsbegeerte. II, Grondlijnen van de zielkundePagina 37

JPEG (Deze pagina), 528.22 KB

TIFF (Deze pagina), 5.58 MB

PDF (Volledig document), 18.48 MB

w · W h
ij 31
j Dit bevestigt ons nog meer in ons besluit dat die if
levenlooze voorwerpen zich buiten ons bevinden. Het
eene redebesluit controleert l1ier het a11-
dere en drukt er het zegel op. Met verschil-
j lende voorwerpen op dezelfde wijs een besluit opma- j
i kende geraken wh tot dezelfde uitkomst. Dit boezemt
ons een groot vertrouwen in op onze wijze van rede- i
neering.
al Het behoeft hier naauwelljks gezegd dat niet altijd
j deze redeneering zoo duidelijk geforrnuleerd wordt als
wh het hier gedaan hebben. Anders toch zouden de
dieren en de kinderen waarschijnlijk geen besef hebben
i van eene buitenwereld en dit l1ebben zij, zoo wij hier
5 volgens analogie mogen oordeelen, wel stellig. Neen
j doorgaans komt deze redenering niet tot ontwikkeling,
doorgaans blaft zij staan op een rudimentairen trap en
i komt ons dan voor onder den vorm dien men wel eens
H verkeerdelijk gevoel genoemd heeft. {
Na het gezegde kunnen wu aan den lezer overlaten {
na te gaan hoe wij komen tot het aannemen van de ,
Q objectiviteit der natuurwetten, de abso-
luutheid van die wetten, de objectiviteit .
van onze waarneming, de absolu utheid van de N
verschillen en eindelijk tot de ABSOLUUTHEID vAN {
0NzE REDE. Ten slotte herinneren wg nog aan het
bovengezegde dat al deze besluiten op zichzelf redebe­
sluiten zijn. WVQ zijn als opgesloten binnen ons eigen
redevermogen. Ons uit die opsluiting te bevrijden blijve .
overgelaten aan meerdere krachten dan de onze. ç
{
i