HomeInleiding tot de wijsbegeerte. II, Grondlijnen van de zielkundePagina 36

JPEG (Deze pagina), 566.86 KB

TIFF (Deze pagina), 5.58 MB

PDF (Volledig document), 18.48 MB

ii
‘ ‘l T
i so y
de absoluutheid van de rede reeds onderstelt. i
bewegen ons hier dus in een cirkel. Uir DIEN
CIRKEL TE GERAKEN z1E1>AA1t HE·r e1toorE vimae-
’ STUK VAN DE WIJSBEGEERTE. r
Tot het bestaan van eene buitenwereld besluiten wij
door de navolgende redenering. g
De meeste verschillen (voorwerpen, ver- <
anderingen €l'1Z.)11CH1(·ll'1 wij waar niet meer
dan één zintuig, bv. en niet het oog en met 1
16 het gevoel. Hieruit leiden wg af dat het
ll oog kan ophouden te bestaan zonder dat
l daarmede hetvoorwerp ophoudt te zijn- ;
j het voorwerp heeft een bestaan onafhan-
kelijk van ons oog. Ditzelfde geldt echter i
ook ten opzichte van het andereizintuig,
het 00r. `Wij kunnen dus die zintuigen
‘r beurtelings wegdenkcn zonder dat het ;
. voorwerp verloren gaat. Maar dan kun-
p nen wij ze ook gelüktij dig wegdenken zon-
i der nadeel voor het voorwerp. Derhalve ';
het voorwerp heeft een zelfstandig be-
staan buiten die twee zintuigen en der-
pf halve buiten on s. Wij kennen daaraan een oh-
’ jecticf bestaan toe. ï
_ Met behulp nu van deze redenering leeren wij
levenlooze voorwerpen kennen buiten ons niet alleen §
maar ook wezens die geplaatst in gelijke verhouding
als wij tot bepaalde voorwerpen en veranderingen zich
p` juist eveneens gedragen als wij.
i
g 2
lx _ i