HomeInleiding tot de wijsbegeerte. II, Grondlijnen van de zielkundePagina 35

JPEG (Deze pagina), 526.82 KB

TIFF (Deze pagina), 5.80 MB

PDF (Volledig document), 18.48 MB

29
tenwereld, zonder haar konden wij de wet van eau- 'i
saliteit niet kennen, zonder haar konden geene j
juiste van onjuiste gewaarwordingen, voorstellingen
en indrukken van onjuiste onderscheiden, zonder
haar ware ook alle mededeeling alle omgang met i
li anderen onmogelijk. `Wij hebben dan ook de nnnn j
bij het voorgaande niet kunnen ontberen. `Wie de
bevoegdheid der rede niet erkent, is niet slechts voor
. redenering, hij is voor de eenvoudigste waarneming
i ongeschikt. De rede d. i. het vermogen om besluiten
te trekken is ongetwijfeld het meest standvastige
van alle vermogens. Bij vele ziektetoestanden waar
gewaarwording en herinnering op het diepst zijn
ontaard daar blijft het maken van gevolgtrekkingen
uit de valsehe praemissen lang bestaan ja, het komt
twijfelachtig voor dat het ooit geheel te gronde
zou gaan. Aan die onafhankelijkheid der rede van j
i tijd, plaats, persoon en vele andere omstandigheden .
Q meenen wij het recht te ontleenen om der rede een V
Q zelfstandig bestaan toe te kennen om te besluiten
dat de rede absoluut is.
moeten echter niet uit het oog verliezen dat
dit besluit op zichzelf reeds een redebesluit is en i
met was aan de korf vast te plakken, zoadat de slak in haar eigen
woning gestikt werd. Op zijn minst zijn hier drie sluitredenen in
werking. Men vindt dit en andere voorbeelden in «/Ziel en lig- [ Q
chaaxn" van Scunonnsxt VAN nen Kerk, Utrecht 1864. `