HomeInleiding tot de wijsbegeerte. II, Grondlijnen van de zielkundePagina 33

JPEG (Deze pagina), 502.38 KB

TIFF (Deze pagina), 5.66 MB

PDF (Volledig document), 18.48 MB

i i
27
gewrochten van de verbeelding of verwisseling van
W naam zijn ingeslopen. ‘Nant hetgeen aan ons be- j
‘ wustzijn ontsnapt kunnen wij niet bewaken.
l Onduidelijk bemerkt denken bestempelen wij met gj
de namen: MIJMEREN, nnoonnx enz. Gaat de ‘
vorming van gedachten gepaard met moeijelijkheid g
dan spreken wij van rmwzmv.
z
49. Niet altijd is het ons mogelijk in bijzonder-
{ heden den gang na te gaan waarop eene gedachte
in ons ontstaan is. Zij blijft dan zóólang onzeker
(vmmonnnn, iivrornnsn) totdat het ons gelukt is
een ander middel te vinden om haar aan de wer-
kelükheid te toetsen. Dit middel zal dan bestaan
wanneer de werkelükheid in dat geval voor ons be-
reikbaar is. _
Het toetsen van zulk eene gedachte aan de wer-
kelijkheid door rechtstreeksche waarneming noemen
wij rnomrxmrine. '
Hoe langer onze gedaclitenloop zich rekt des te groo­
j ter wordt het gevaar dat hij zich voor eenige oogenblik-
ken aan onze controle onttrekt, dat er vreemde bestand- f
deelen binnensluipen. Wij zullen dus wel doen inet ons
denken niet te lang voort te gaan zonder ons nu en dan
door reclitstreeksehe waarneming te overtuigen dat wij
i nog op het rechte spoor zijn. Verzuimen wij dit dan ‘
j loopen wü groot gevaar ons te verliezen in mnnu; Bic- Q
sP112ei2Liive.
l
l
a
l