HomeInleiding tot de wijsbegeerte. II, Grondlijnen van de zielkundePagina 32

JPEG (Deze pagina), 574.10 KB

TIFF (Deze pagina), 5.66 MB

PDF (Volledig document), 18.48 MB

i i 26
voor een grooter of kleiner gedeelte duister, zoodat i
hij meer het karakter heeft van aandoening dan W
van voorstelling (I). Is in dit laatste geval ook het ‘
eindresultaat van de gedachte duister dan spreken wij Q
van voonenvorr. Meestal echter is in dat gevoel
de stand van zaken deze, dat de gedachte ons hel-
der voor den geest staat maar dat wij niet weten
hoe ontstaan is, hetzij omdat zg vroeger in ons
, gevormd is en nu slechts door de herinnering is
gereproduceerd, hetzij omdat de gedachtenloop ­- we- l
gens zijne groote snelheid b. v. -­- niet bemerkt werd
. (1xvALL:exnis GEDACIITE, iïvnocrm, rnornrm.)
Dat echter ook in deze gevallen de gedachte op
de beschreven wijze uit voorstellingen ontstaan is,
blijkt daaruit dat men er nooit eene enkelvou-
dige voorstelling in terug vindt die niet in
den denkenden persoon door waarneming was ge-
vormd. ·
Eene zoodanige gedachte kan stellig zeer juist
zijn, uit den aard der zaak echter vereischt zij bij
het gebruik de meeste oinzichtigheid, zoolang zij
j niet herleid is tot hare wijze van ontstaan.
Ditzelfde geldt van iedere redenering waarin
sprongen voorkomen. Groot is het gevaar dat er
i gedurende die sprongen vreemde elementen, hetzij
. l
‘ V (1) Van hier de verwarring tusschen denken en gevoel. Zoo
b. v. wanneer men zegt: ik gevoel dat er een God is.
l
ë
a
. i
2