HomeInleiding tot de wijsbegeerte. II, Grondlijnen van de zielkundePagina 31

JPEG (Deze pagina), 508.37 KB

TIFF (Deze pagina), 5.63 MB

PDF (Volledig document), 18.48 MB

H v H I H l
25 i
tengang ook voorstellingen hebben opgenomen die niet
beantwoorden aan de natuur (gewrochten van onze ver- i
beelding). In dit geval zal natuurlijk ook onze eiindge- H
dach te niet aan de natuur beantwoorden , zal zij onjuist
_ zgn. ~
E Maar ook kunnen de voorstellingen zoodanig op elkander A
; werken als zij in de natuur niet doen ­­ sluitre den
M van vier termen. Ook in dit geval zal het resul-
Y taat ons vertrouwen niet verdienen.
li Het is derhalve voor ons, ter heoordeeling van onze
gedachten van het hoogste belang naauwkeurig de wijze
te kennen waarop zij ontstaan zijn. lVij moeten weten
i hoe wij er aan zijn gekomen.
i Hiertoe nu is het noodig dat wij trachten onze redc-
neering terug te brengen tot eene reeks van gewone sluit-
redenen die allen uit juiste gedachten bestaan. Gelukt
· ons dit dan zeggen wij oxzia STELLING TE HEBBEN BE-
wnzniv. 1
Dikwijls geschiedt de gedachtenloop met zulk eene j
1 snelheid dat wg hein niet vermogen te volgen en uit te
p drukken. Vij zullen hem dan naderhand uit het ge-
heugen nioeten reconstrueeren om zijne elementen te 1
leeren kennen. ik
Nu kan die vorming van de gedachten op verschillende l
wijze plaats hebben al naarmate het bewustzijn daarin i
meer of minder betrokken was en naar de kracht van
herinneringsvermogen, associatie enz.
LLS. De gedachtengang nl. kan zóó plaats hebben ‘
dat wij hein in zijn geheel gevolgd hebben en hein
gemakkelijk lzunnen reconstrueeren • wel hij is