HomeInleiding tot de wijsbegeerte. II, Grondlijnen van de zielkundePagina 30

JPEG (Deze pagina), 567.21 KB

TIFF (Deze pagina), 5.63 MB

PDF (Volledig document), 18.48 MB

V
j T
A 24
46. Drukken wij onzen gedachtenloop in woor-
den uit dan denken wij hardop, srnnnnx, meen-
ivnnnx wg ~ MEDEDEELING EN wissnmxe van
j’ enniicnrnx.
i l Het is er anders ver van, dat onze redeneering altijd 0
uit eene geregelde keten sluitredenen bestaan zou. Niet gi
altijd toch laten we hierbij de elementen van de sluit-
redenen in hunne gewone orde volgen, niet altijd ook
` drukken we alle sluitredenen uit; we slaan er hier en
gj daar soms over {maken sprongen) of verwisselen jl
de sluitredenen van plaats. Zoo ontstaan er dan ver-
i schillende redevor men. Evenwel, iedere redenee­ iq
ring, zal zij dien naam verdienen, laat zich terug-
brengen tot eene keten van sluitredenen, willen wij
recht duidelijk zijn of haar goed overzien dan moeten E
wij haar in dien vorm voordragen. l
47. Eene sluitreden of eene redeneering die wij
kunnen toepassen en waarvan dus het eindresultaat li
« beantwoordt aan de buitenwereld noemen wij eene j
Jursrn sluitreden, Jcrsrn redeneering. 4
Uit het gezegde in 45 volgt dat de conclusie of l
= gedachte slechts zóólang juist zijn zal, dat wij er {
j ons slechts zóólang op zullen kunnen verlaten, als
` 10 geen andere dan juiste voorstellingen aan hare
L vorming hebben meêgewerkt, 20 die voorstellingen
op elkaar gewerkt hebben op dezelfde wijze als de
j _ eigenschappen, beelden enz., in de natuur dat doen,
l Nu kan het echter gebeuren dat wij in onzen gedach»
s
ii x _ j V _ __, ____,__,__d,_“Ne_e_ee_in. . . nl j