HomeInleiding tot de wijsbegeerte. II, Grondlijnen van de zielkundePagina 21

JPEG (Deze pagina), 552.37 KB

TIFF (Deze pagina), 5.65 MB

PDF (Volledig document), 18.48 MB

j
15
tuigelijke indruk in het centraalorgaan eene bijzon-
dere geneigdheid terug om dien indruk te reprodu-
ceeren. Hiervoor is het dan niet noodig dat de
werking op het zintuig zich herhaalt. Een ligte
inwendige of uitwendige prikkel is voldoende om
i die gewaarwording weder met meer of minder inten-
siteit te doen herleven. ­- Hnitrnnnnine, GEHEUGEN.
Zulk eene gereproduceerde gewaarwording heet vooa- ,
srsrrnve. (EENVOUDIGE of ZAMENGESTELDE). H j
Daar iedere eenvoudige gewaarwording in qualiteit
beantwoordde aan eene eigenschap in de natuur (vgl.33) 1
zoo moet ook iedere eenvoudige voorstelling de eigen-
schap hebben die in qualiteit aan haar beantwoordt. l
Wat echter de quantiteit (intensiteit) betreft, zoo is de i
{ voorstelling in den regel zwakker dan de gewaarwording
zelve, zoodat wij ze van deze meestal duidelük kunnen j
onderscheiden. Een ander middel ter onderscheiding p l
geeft ons de rechtstreeksche uitwendige waarneming. l
Met de gewaarwordingen worden door het geheugen j
ook de aandoeningen gereproduceerd met welke zij in {
1 der tijd gepaard gingen. j
J Ieder hersenorgaan reprodueeert zijne eigen gewaar-
. wordingen: het geziehtsorgaan kleur, het reuksorgaan T
. reuk enz. ,g
W Daar echter de hersenorganen op elkaar als prikkels ä
kunnen werken zoo kan eene gewaarwording van het .
W eene, voorstellingen produceeren in een ander. ‘
Een geluid b. v. roept een kleurenbeeld op enz. Hier- ·
door kunnen wg alle voorstellingen terugbrengen tot
ls
l .
l
l
S l