HomeInleiding tot de wijsbegeerte. II, Grondlijnen van de zielkundePagina 20

JPEG (Deze pagina), 534.73 KB

TIFF (Deze pagina), 5.65 MB

PDF (Volledig document), 18.48 MB

l
41
( M
lijk het verschil in kategorie van de verschillen
(vgl. 13).
De zintuigen zijn niet de eenige mogelijke prikkels
VOO]? ClG ZGl”ll1V€l'l Gl'). CVGl'1ZC€l` Zljll de ZBDLWVGII lllêt (l€
eenige prikkels voor de oentraalorganen. (Onderscheid (
tusschen uitwendige en inwendige prikkels(ï)
Maar elke prikkel, die op eene gewaarwordingszenuw
werkt , wordt door deze overgebragt als zintuigsindruk,
_ elke prikkel op de centraalorganen geeft hier de gewaar-
j wording van een zen uwbericht (sit venia verbo),
. dat is eene gewaarwording van eene eigenschap.
{ Deze omstandigheid kan soms de bron worden van
schrornelijke verwarring (hallueinatie en illu-
sieën).
36. De prikkels die door bemiddeling van de e
hersenorganen op het bewustzijn inwerken, hebben
een aanzienlijken invloed op de beweging. Deze
worden hierdoor zeer zarnengesteld en dien ten ge-
volge vertraagd enz. (vgl. 29).
37. Elke indruk van eene zenuw of van een 1
` eentraalorgaan duurt, nadat zün prikkel opgehouden l
E heeft te werken, nog eenigen tijd voort maar sterft
dan uit. `
38. BQ de hoogere dieren evenwel laat elke zin- ~
‘ (l) Een inwendige prikkel die met lust gepaard gaat noemen (
. wij wu,.
à
l
l
l
l
‘ l