HomeInleiding tot de wijsbegeerte. II, Grondlijnen van de zielkundePagina 19

JPEG (Deze pagina), 495.45 KB

TIFF (Deze pagina), 5.67 MB

PDF (Volledig document), 18.48 MB

.
J
13
l 30. Een geleidingsorgaan (zenuw) dat den indruk
i van 10 overbrengt naar 20.
33. Uit het bovengezegde volgt dat de buiten-
wereld tegenover het zintuig, alsmede de zenuw
tegenover het hersenorgaan, zich verhoudt als prikkel.
" De prikkels op de zintuigen vallen zamen met dat-
gene wat wij vroeger hebben leeren kennen als de
eigenschappen van de ligchamen of van de E
beelden. '
Op deze coineidentie berust de uitwen-
dige waarneming.
34. De veranderingen welke er door de hersenor-
ganen in het bewustzijn worden tewecggebragt, zoo lj
zagen wij, noemen wij gewaarwordingen en aandoe- j
ningen.
Vilerken er verscheiden hersenorganen tegelijk op
het bewustzijn dan ontstaat er uit al die werkingen .j
ééne eindgewaarwording: BEELD en ééne eindaandoe-
j ning: STEMMING.
= l
j 35. De vatbaarheid van het bewustzijn voor aan-
i doeningen draagt den naam van GEMOED.
V Naarmate het aantal zintuigen en hunne compli- ij
catie bij eenig wezen grooter is, naar die mate zal 1
voor dat wezen het aantal verschillen in de buiten-
wereld toenemen, zal ook het aantal grooter worden
j van de prikkels die op het bewustzijn kunnen werken. ll
Het verschil van de zintuigen bepaalt voorname-

a