HomeInleiding tot de wijsbegeerte. II, Grondlijnen van de zielkundePagina 18

JPEG (Deze pagina), 534.35 KB

TIFF (Deze pagina), 5.67 MB

PDF (Volledig document), 18.48 MB

jl
li
12
toch verraden zich in de lagere streken van het dieren-
rijk oniniddellgk door bepaalde bewegingen.
31. Naarniate de levende wezens liooger staan op
. de ladder (het net, zoo men wil) van organisatie
d. i. naarmate meer zamengesteld zgn, neemt
ook het bewustzhn toe in intensiteit, komt het ver- 1
schil tusschen lust en onlust meer uit.
. 32. Langzamerhand conipliceert zich de gevoels-
j toestel niet andere organen. Het wezen waartoe
( het behoort maakt geholpen door de redenering ver-
schillen in het niet-ik. De Urrwrnnren wziiuinn-
Mise begint. Lust en onlust splitsen zich in eene
menigte toestanden (eiiivmxitwwronnineisn nx minnen-
iuxenn).
1eder van die bijkoinende organen (eigenlüke
waarnemingsorganen) bestaat bij de hoogere dieren
uit drie doelen nl. uit:
10. Een peripherieseh gedeelte (zintuig) dat met
de deelen der buitenwereld op zuiver mecha-
nische wijze in verband staat (INDRUK).
j 20. Een centraal gedeelte (hersendeel) dat den
i indruk omzet in eene toestand van het zelf? V
bewustzijn (erwkauwonnixe) (I). (
_ (1) Ja, eerst in de hersenen heeft de gewaarwording plaats. Dit
l bedoelde onze Scrmonnnn v.»xN ramt Korn zoo dikwijls hi_j geestig L
zeide dat wij eigenlijk niet zien , hooren en ruiken inet onze oogen ‘
` OOl`€ll GHZ. Hlälaï . . . . Illflli OHZC 1`l€IS€l'l€`Il.
ä
s