HomeEenige beschouwingen over het ontwerp van wet op den in-, uit- en doorvoer en over de belangen der Oostindische bezittingenPagina 50

JPEG (Deze pagina), 795.45 KB

TIFF (Deze pagina), 8.18 MB

PDF (Volledig document), 61.05 MB

I , "
I
j l«(i I i
j bekend is, kunnen noemen, dat het getal fabriekanten van
eenige beteekenis veel kleiner is, en zich in beperkter kring
beweegt, dan dat der kooplieden, welke hunne fabriekaten ont-
vangen; (bijv. in het olievak, zij die de olie gedeeltelijk zui-
veren en gedeeltelijk in haren oorspronkelijken staat aan de
tweede hand afleveren, aldus pateritoliefabriekaiiten geheeten),
deze handel die veelal op groote schaal door de eerste hand ge-
Idreven wordt, door welke de fabriekaten naar deu kleinhandel, I
en vervolgens tot deu consument komen, deze eerste hand heeft ij
een bijzonder belang, alle slagboonien tusschen dit en het bui-
tenland te zien vervallen, om zoodra deszelfs belang dit inede-
brengt ook van het buitenland te kunnen koopen, en niet meer
_ zoo als tot heden, aan den binnenlandschen fabriekant CB11lgZl1lS `
gebonden te zijn. Zij dan en meer bepaald en onvoorwaarde-
lijk de eerste hand blijft, en de kleinhandel heeft dan de gele- i
genheid niet meer zich niet eeu’ inlandschen fabriekant i11 contact
te kunnen stellen. Indien dus deze belangen in het afgetrok­
kene worden beschouwd, dan zouden deze bij den val onzer
‘ olieslagerijen winnen, maar dan ook zouden duizenden, die nu
in de nijverheid hun brood verdienen, tot den bedelstaf gebragt
` worden ; of zij, die nu belastingen helpen dragen, dan zelve
moeten gedragen worden , die nu tot nut van den Staat leven, 1
dan tot lastposten verstrekken, en de welvaart van den Staat
dus verloren gaan. Yraagt men deze eerste handelaars echter
zelve, velen zullen dan betuigen, d.at zij, het als een doodsteek I
V voor onze eigene olieslagerijen beschouwen. In dezen behoeft
geen lniitenlandschen invloed voorondersteld te worden, o1n als
_ publieke opinie het tegendeel te hooren betoogen van dat, hetwelk
het wezenlijk belang van ons vaderland vordert.
Naar is het geene onbillijkheid om de consuinentcn eenige
benoodigdheden iets duurder te doen betalen, dan zij die van _
elders zouden kunnen bekomen? Dit toch iuiiners schijnt het
I aanibecld waarop 1nen soimnige beschouwingen sineedt. ’t Is de
j é.l`l'0ll(l dier zucht tot die onbeperkte vrijheid? Maar ’C1'gCCt
inen dan, dat in een niaatschappelijk leven, de volkomenste
I
I
1
I
1
; .
I
1
I
1
1