HomeEenige beschouwingen over het ontwerp van wet op den in-, uit- en doorvoer en over de belangen der Oostindische bezittingenPagina 33

JPEG (Deze pagina), 820.26 KB

TIFF (Deze pagina), 8.11 MB

PDF (Volledig document), 61.05 MB

a

29
deel der bevolking en kapitalen naar elders, zullen zijn doorgeworsteld,
dan kunnen er door groote schuldenlast en mindere opbrengsten,
nieuwe en vernieuwde verwarringen ontslaan, en de aanzienlijkste
fortuinen het land ontvlngten, zoodat het steeds armer geworden,
T het staatscrediet verloren, tot den laagsten rang vernederd, een
volksbestaan zoude voortslepen, dat door niemand geacht, veel min
geëerd, ieder oogenblik van zijn bestaan aan de goedwilligheid van
u andere Staten te danken hebben zoude.
Ik meen reeds vroeger te hebben aangetoond dat er niet eene feite-
"; lijke reden bestaat, om de bescherming van eigen nijverheid niet kracht-
j vol te handhaven, en het alleen in de exeejite gevallen litlll noodig
j zijn o1n, wanneer bij hooge bescherming van een bijzonder artikel en
f gemis van binnenlandsehe concurrentie een te rustige toestand in
i die fabriekstak ontstond, waardoor dezelve in sluimer geraken, ont-
i aarden, bederven en verloren gaan zoude, de bescherming te verminderen.
{ In zoodanig geval alleen zou het noodig zijn, door het inkomend
4 regt te verlagen, deze tak uit haren sluimering te wekken, en tot
leven te roepen; in alle andere gevallen is gemis aan genoegzame
bescherming ten eenemale onnut en bedervend.
‘ Laat ons toch niet vergeten dat onze bevolking het aanzienlijke
cijfer van drie niillioenen bedraagt, en dat deze bevolking ook eene
aaiizienlijke industrie en een belangrijk fabriekwezen kan onderhouden,
noodig heeft en werkelijk onderhoudt: de bevolking zelve maakt
0llS industreeel, en ofschoon wij gewoon zijn onze bevolking en onze
· eigen nijverheid steeds gering te hooren achten, dat betrekkelijk
j dan ook waar is, zoo heeft dat gedurig hooren dezer beschouwing
bij velen onzer landgenooten veroorzaakt, dat zij niet alleen met hen
mede praten, maar het zelf eindelijk gaan gelooven; dit is eene groote
dwaling, want in verhouding tot onze bevolking is hun fortuin
waarschijnlijk aanmerkelijk grooter dan bij andere natien, per indi-
vidu gerekend, en wij kunnen dus in verhouding eene grootere industrie
voeden, even als andere nation.
En toch wordt deze binnenlandsche nijverheid niet verder geaeht
dan naar de cijfers, die over de grenzen van ons land gaan; het is
zonderling, van deze statistiek maakt men zoo veel werk alsof dat
de groote hoofdmaatstaf van ons volkswelvaren uitmaakte; zij is het
ook werkelijk om den voor- ol` achteruitgang van den nationalen
rijkdom voor een gedeelte te kunnen nagaan; maar ik herhaal
slechts voor een gedeelte; het zijn slechts de uiterste takken van