HomeHet partijwezen in het parlementair stelselPagina 33

JPEG (Deze pagina), 899.04 KB

TIFF (Deze pagina), 8.08 MB

PDF (Volledig document), 34.15 MB

l
jj
>

y 3[
een half jaar met haast ongeëvenaard succes de leiding van ’s lands
, zaken had gevoerd. Nooit had de staatsmachine zich regelmatiger
Vi bewogen; nooit had de oppositie zich minder krachtig doen gelden."
(II blz. 72). Heeft men bij eene dergelijke ervaring nog recht,
zich zóó laatdunkend uit te laten over ministeries, wier leden niet
éénzelfden partij-stempel dragen, als Groen van Prinsterer deed?
‘ Men vindt trouwens in onze staatsinrichting een ander orgaan,
i welks werkkring zeer goed met dien van het Ministerie te verge-
’ lijken valt en waarbij de eisch van homogeniteit toch niet pleegt
j gesteld te worden: het College van B. en W. in de gemeenten.
jl De taak van B. en W. is, wat het dagelijksch bestuur betreft,
i in het algemeen voor de gemeente, wat die van het Ministerie
j is voor den Staat. Een ,,bewind" behoort dus het college van
, B. en W. op zgn gebied niet minder te wezen dan het Ministerie
op het zijne. Ziet men nu echter niet, juist in onze grootste
J gemeenten, dat de colleges van B. en W. uit leden van verschil-
li lende partijen samengesteld zijn? En heeft men ooit de klacht
vernomen, dat het gebrek aan ,,homogeniteit" in die steden tot
j. verwaarloozing van de gemeentelijke regeering geleid heeft? De
werkzaamheid van menig stadsbestuur geeft het veeleer alle
vi aanspraak, om het verwijt, als zoude het geen ,,bewind" vormen,
met verontwaardiging van zich af te schudden.
jj Uit dit alles meen ik te mogen concludeeren, dat ook dit
. gevolg van het stelsel van partijen-ad-hoc, dat voor den eisch
je van eenheid van algemeene richting (homogeniteit) der ministers
daarin geene plaats is, niet als bezwaar tegen het stelsel kan
lj opgeworpen worden.
, Men zou zich dan in dit stelsel de samenstelling van het
i Ministerie aldus moeten denken: Nadat de verkiezingen heb-
« ben doen blijken, welke concrete maatregelen de meerderheid
i der kiezers tot stand wenscht te zien gebracht, wordt voor
elk der ministerieele zetels allereerst gezocht onder hen, die
zich hebben doen kennen als voorstanders van de, tot de
betreffende departementen behoorende en door de meerderheid
der kiezers gewenschte, maatregelen. Van dezen is te verwachten,
j dat zij aan den uitgesproken wensch van de kiezers uitvoering
zullen geven. Voor het overige draagt noch het Ministerie als
l