HomeHet partijwezen in het parlementair stelselPagina 32

JPEG (Deze pagina), 862.38 KB

TIFF (Deze pagina), 8.08 MB

PDF (Volledig document), 34.15 MB

. «
[ 1 i
rs! ` i

i· 30 &
blz. 360). - De Commissie van 16 Maart 1848 meende, dat de eisch
van ,,een eigenlijk gezegd ministerie" lag uitgesproken in de ,i
woorden: ,,de Koning is onschendbaar; de ministers zijn verant- i
woordelijk" 1). Ook deze woorden echter spreken alleen van
jv; ministerieele vev/rzm‘w0orrZeZ@/êhez'd, niet van ministerieele homoge-
m'Zez`z‘. Men kan dus niet zeggen, dat de Grondwet eenheid van
; richting der ministers met zoovele woorden vordert. Dat zij in W
de óedoelirzg van de mannen van ’48 heeft gelegen, valt wel niet .
te betwijfelen. Men ging daarbij echter van het stelsel van alge- J
meene partijen, waarin de homogeniteit inderdaad past, als
heerschende uit. Dit belet evenwel niet, een ander stelsel te
Y aanvaarden, waarbij de homogeniteit, omdat zij ¢z'aarz`¢z niet past, l
moet worden prijsgegeven. Voor grondwettige bezwaren tegen
de vervanging van het stelsel van beginselpartijen en de daaruit ,
voortvloeiende verdwijning der ministerieele homogeniteit behoeft i
S men dus niet te vreezen. i
En als men nu verder, afgezien van de Grondwet, met Groen Q
van Prinsterer verklaart, dat een Ministerie zonder eenheid van
richting zijner leden ,,geen bewind in den eigenlijk gouverne­ V,
mentelen zin van het woord" is,2) dan velt men implicite een
` zeer onbillijk vonnis over de z.g. ,,zakenministeries" (cabinets
d’affaires), waarvan ook onze parlementaire geschiedenis er meer- il
dere te vermelden heeft. Sommigen dier ministeries waren, gerekend
J naar de hoeveelheid gepresteerden arbeid, heel wat eerder tot
het praedicaat ,,bewind in gouvernementelen zin" gerechtigd dan
menig pur­sang partij­ministerie. Gewezen kan 0.a. worden op i
G het ministerie Fock-­-van Bosse, dat wel, naar de richting van
zijnen formateur, liberaal kon heeten, maar toch eigenlijk zaken-
l ministerie was, daar het den partijstrijd tijdelijk tot stilstand i
i moest brengen. Over de werkzaamheid nu van dit kabinet spreekt j
2 onze parlementaire geschiedschrijver van Welderen Rengers zich
f, op meer dan ééne plaats van zijn standaardwerk zeer loffelijk uit.
V, Hij stelt weliswaar vast, dat ,,in het ministerie geen scheppende
" genieën, zelfs geen leidende staatslieden [werden] gevonden”
g (II blz. 66), maar verklaart niettemin, dat het ,,bijkans twee en
l« iïäcïifante, Handelingen I blz. 97.
2) v. g. l. pag. 27.
ë `
K ä
l .