HomeHet partijwezen in het parlementair stelselPagina 31

JPEG (Deze pagina), 841.87 KB

TIFF (Deze pagina), 8.13 MB

PDF (Volledig document), 34.15 MB

4 29 .
j, staanbaar is. Ook kan erkend worden, dat, gegeven eenmaal
een stelsel van algemeene partijen en eene daarbij behoorende
Q vaste meerderheid, het parlementair beginsel medebrengt, dat de
j richting van de meerderheid in het Parlement ook die zij van het
, ministerie. De vraag is echter, in hoever in het algemeen de
O homogeniteit voor een goed bewind noodig is. Het is wenschelijk,
hierbij homogeniteit wel te onderscheiden van collegialiteit, waar-
O onder men het beginsel versta, dat de leden van een college niet
` individueel, maar collectief besluiten nemen. Dat de ca/Zegz`4zZz`ieizf
Z nooit geheel kan worden gemist, spreekt van zelf. Want ook al
zijn niet meer in het Ministerie bepaalde ,,beginselen" belichaamd
en is dus het gemeenschappelijk overleg ten behoeve der,,eenheid
in de toepassing der Regeeringsbeginselen" 1) niet meer vereischt,
O er zullen altijd tal van aangelegenheden overblijven van zóó alge-
meen belang, dat daarbij niet anders dan collegiale beslissing `
denkbaar is. Hoever overigens de collegialiteit gaan moet, is
kwestie van appreciatie 2). Het Reglement van Orde voor den
Ministerraad kan wel bepaalde punten aan collegiale beslissing,
dwingend onderwerpen, doch zal zich overigens tot eenigszins vage
J voorschriften moeten bepalen.
7, Meer of minder strenge collegialiteit moet dus altijd in het
« Ministerie blijven bestaan. Maar ook homogeniteit? Volgens
1 Groen van Prinsterer zou, gelijk hij bij zijne op pag. 27 genoemde
, interpellatie verklaarde, de homogeniteit vooreerst door de Grond-
wet worden gevorderd, en wel in art. 73 26 lid der Grw. ’48:
,,De hoofden der ministerieele departementen zorgen voor de uit-
l voering der Grondwet en der andere wetten, voor zooverre die
van de Kroon afhangt/’ 3) Hoe echter deze woorden met de
homogeniteit in verband zijn te brengen, is weinig duidelijk. Door
, Buys worden zij ,,geheel doelloos" genoemd. (,,De Grondwet" I
I 1) Reg. v. Orde Ministerraad, art. 1.
2) Een zeer eng gebied werd voor de collegialiteit afgebakend door Thorbecke in ,
, 1851. Ten aanzien van een belangrijk ontwerp als dat tot regeling van het recht tot
` vereeniging en vergadering, hetwelk ressorteerde onder justitie, verklaarde hij: ,,lk
5 heb niet gelezen het Verslag, niet gelezen de l’lemorie van Beantwoording? (Hand.
j Tweede Kamer 16 juli 1851, blz. 1160).
3) = Art. 77 ze lid der Grw. ’S7.