HomeHet partijwezen in het parlementair stelselPagina 20

JPEG (Deze pagina), 881.54 KB

TIFF (Deze pagina), 8.06 MB

PDF (Volledig document), 34.15 MB

l
E.
il .
18
il typhus - dat een minister uit partij­oogmerke11 door zijne
meerderheid ,,gespaarcl" wordt. Wanneer dit gebeurt, verliest de .
ministerieele verantwoordelijkheid aan kracht. De verheven
‘ beteekenis, die hare bewonderaars er aan toekennen, dat zij
ministerieel onrecht voorkomt of, zoo het gepleegd is, straft, zou
zij eerst dan volledig hebben, wanneer in het Parlement de
· ministerieele daden alleen naar hare innerlijke waarde beoordeeld
I werden. En dit wordt door het bestaan van eene constante
meerderheid, door de ,,politieke vrienden" van den minister ge-
vormd, en van eene constante minderheid, die zijne tegenstanders
zijn, vrijwel uitgesloten. In verband hiermede laat het partijwezen
ook het parlementaire stelsel niet ongehavend. Want hoe kan
li men nog spreken van eene onverzwakt-parlementaire praktijk,
i waar in zoo menig geval niet het Parlement de Regeering, maar
` deze, hare volgzame meerderheid als instrument gebruikende,
het Parlement beheerscht?
Op rekening van het stelsel van algemeene partijen moet `
, gedeeltelijk ook de geringe oogst gesteld worden, dien de parle-
g, mentaire arbeid ondanks den eerbiedwaardigen ijver van Parle­ `
I ment en Regeering allengs afwerpt. Een belangrijk gedeelte van
de parlementaire beraadslagingen wordt namelijk aangewend voor
Q beginselbeschouwingen. Vooreerst wordt eene vaste periode van
het jaar hieraan bij uitstek gewijd, t.w. de dagen van de Alge-
i' meene Beschouwingen over de Staatsbegrooting. Steeds meer
E blijkbaar is het gewicht van de Algemeene Begrootings­
li beschouwingen in de achting van de Kamerleden stijgende.
I, Want terwijl, wat de Tweede Kamer betreft, die Beschou- ‘
· wingen in 1897 nog slechts 68 bladzijden van de Handelingen
‘_ besloegen, was dit getal in 1908 tot 101 toegenomen, hetgeen eene g ·
ik vermeerdering beteekent met 50 % in IO jaar tijds. In 1901
I trouwens was het getal reeds 138 en, vergeleken met 1897, de A
1 vermeerdering dus reeds 1oo 76 geweest. Dat, gegeven eenmaal
een stelsel van beginsel-partijen, de Algemeene Beschouwingen I
eenig nut kunnen hebben, misschien zelfs onvermijdelijk zijn, kan
toegegeven worden. Zij kunnen dan namelijk er toe bijdragen,
‘ klaarheid te brengen in de verhouding van de partijen tegenover
I de regeering en in die van de partijen onderling, hoewel het
,1
l .
l ’