HomeHet partijwezen in het parlementair stelselPagina 18

JPEG (Deze pagina), 893.95 KB

TIFF (Deze pagina), 8.07 MB

PDF (Volledig document), 34.15 MB

jl
l
I.
lj niet het minst door partij­oogmerken ingegeven werd. Zoo
leest men bij prof. P. J. Blok, dat de verwerping van de Begrooting
van Buitenlandsche Zaken in 1867 vooral door Thorbecke om rede­
P nen van liberaal partijbelang uitgelokt (was), met name in ver-
band met de plannen van den nieuwen minister van Koloniën
Hasselman, waarbij de verschillen in de liberale partij weder
aan den dag zouden komen.” (Geschiedenis van het Nederlandsche
ï· Volk VIII bladz. 192.) 1)
Hieruit blijkt wel, dat, zelfs in zoo bewogen tijden als
de toenmalige, aan de partij­twisten niet het zwijgen opgelegd,
maar juist gepoogd werd, uit de hachelijke omstandigheden voor
( de partij munt te slaan. Het is duidelijk, welk eene Staatsge-
' vaarlijke werking daarmede door het partijwezen wordt uitgeoefend.
_ Een niet minder bekend voorval uit onze geschiedenis, de
` Aprilbeweging van ’53, levert een voorbeeld in analogen geest.
De Aprilbeweging droeg oorspronkelijk een Kerkelijk­godsdienstig,
geen politiek karakter. Zij werd echter door de oppositie tot eene ·
, politieke beweging aangeblazen. Men hoore weder van Welderen
j,. Rengers: ,,de politieke tegenstanders, met name van Hall, be-
grepen maar al te goed, welke partij van de heerschende opge-
wondenheid kon worden getrokken en het is, hoewel niet bewezen,
Y toch zoo goed als zeker, dat zij onmiddellijk alles in het werk
hebben gesteld om de sedert lang gespannen verhouding tusschen
” het hoofd van den Staat en zijne verantwoordelijke raadslieden ‘
i tot een formeele breuk te maken". (I blz. oi). Dat de ver- ,
,l ontwaardiging in werkelijkheid niet de zaak zelf betrof, bleek ten
l duidelijkste, toen kort daarop de oppositie, als gevolg van hare ‘
i agitatie aan het bewind gekomen, met eenige onschuldige maat- i
" regelen tegen het ultramontanisme voor den dag kwam.
il Zóózeer besmet de partijgeest het onbevangen oordeel, dat
l gaandeweg de meest neutrale zaak behandeld wordt, als ware zij
eene principieele. Men zal het er over eens zijn, dat b.v. de vraag,
hoe eene veeziekte het best bestreden wordt, van zuiver­opportu‘
nistischen aard is en niet door een conservatief, liberaal, kerkelijk,
sociaaldemocratisch of welk ander ,,beginsel" beheerscht wordt.
1) V. g. l. van \'elderen Reugers, ll, blz. ix en 44.
(
te
l
xl `