HomeHet partijwezen in het parlementair stelselPagina 17

JPEG (Deze pagina), 887.28 KB

TIFF (Deze pagina), 8.12 MB

PDF (Volledig document), 34.15 MB

IS
i op die vroegtijdige aansluitingen in latere jaren noodzakelijk
moeten volgen. Ook blijkt hieruit weer ten duidelijkste, dat het
niet allereerst om het beginsel, maar om de winst voor de partij
gaat. Want ging het om het beginsel, - men zou zich toch
afvragen, of op zóó onrijpe adhaesie wel eenige prijs kon worden
gesteld.
Talrijk zijn de kwade gevolgen van het algemeen partijstelsel
op den gang van zaken in het Parlement. Dit stelsel heeft van
het Parlement eene kampplaats gemaakt, - spreekt men niet
van de politieke ,,arena"? - waar eene constante meerderheid
tegenover eene constante minderheid gesteld is. ,,Er is eene
meerderheid en eene minderheid, de minderheid bepleit en de
meerderheid beslist;" - aldus Groen van Prinsterer in de ver-
gadering der Tweede Kamer van 27 ]uli 1849 (Hand. blzz. 7IQ v.).
Dit geldt niet voor eene bepaalde meerderheid bij uitsluiting,
j doch voor alle parlementaire meerderheden, gebaseerd op het
, stelsel van permanente partijen. Wel klaagt de minderheid
l d van heden over onderdrukking door de meerderheid, doch welke
j waarde heeft deze klacht, waar de klagers van heden de be-
i klaagden zijn van gisteren en morgen, -­­ en met evenveel recht?
j De fout ligt in het stelsel zelf. Natuurlijk komt het Staats-
belang daarbij in het gedrang. Men grijpt eene zaak aan of niet
aan, omdat men er voor de positie van de partij, nu of later, voor-
deel in ziet; niet naarmate het belang van de zaak zelf dit eischt.
Onze parlementaire geschiedenis levert talrijke voorbeelden
i daarvan. Ter wille van de objectiviteit zullen daaruit hier slechts
l gebeurtenissen van ouderen datum gekozen worden.
i Dan kan vooreerst gewezen worden op de Luxemburgsche
kwestie van 1867. Men zou denken, dat in die jaren van hoogst
j moeilijke buitenlandsche verwikkelingen elk vaderlander om zijne
Regeering geschaard zou zijn, teneinde haar, waar het maar eenigs-
Q zins mogelijk was, in hare taak te steunen. Die verwachting blijkt
l echter allesbehalve vervuld, wanneer men ontwaart, dat volgens
T de algemeene opinie der geschiedschrijvers de heftige critiek, die
de oppositie deed hooren over de houding van onze Regeering, ~­-
l speciaal met betrekking tot de 1nede­garantie, door Nederland
W verleend tot handhaving van de neutraliteit van Luxemburg, ­