HomeHet partijwezen in het parlementair stelselPagina 15

JPEG (Deze pagina), 838.61 KB

TIFF (Deze pagina), 8.11 MB

PDF (Volledig document), 34.15 MB

13
zoo ging hij voort, was de vraag ontstaan, wat men met die
geprezen instellingen ten behoeve der natie zou tot stand brengen;
-- de vraag over de uitgestrektheid van de Staatsfaak, of, gelijk
hij het noemde, de toepassing van ,,het publiekregtelijk beginsel".
Ook naar Kappeijne’s eigen uiteenzetting in deze Begrootingsrede
had dus de liberale partij hare eigenlijke taak volbracht en was
er een nieuw probleem opgekomen. Voor dit nieuwe probleem,
van geheel anderen aard dan dat van 1848, gaf echter de liberale
gedachte geene leiding meer. Aan de zuivere staatkundige ont-
wikkeling zou toen beantwoord hebben, dat de liberale scheids-
lijn geëffaceerd en eene nieuwe getrokken ware op den
grondslag van het nieuwe probleem. Ook die partijgroepeering
ware dan wel ,,algemeen" geweest en daarmede onderhevig aan
de bezwaren, aan elke algemeene groepeering eigen, doch, relatief
‘ genomen, zou zij zuiverder geweest zijn dan eene, voortgezet op
de basis van eene versleten leuze. Tot die vrijwillige abdicatie
is de liberale partij echter niet overgegaan. Zij heeft getracht
haar slepend bestaan voort te zetten, o.a. door het aanvaarden
van den schoolstrijd tegen het clericalisme 1) en zette daarmede
de ontwikkeling van het nieuwe probleem achteruit. En wel was
l het een wreed spel van het lot, dat de staatsman, die in 1874
zulk een groot inzicht getoond had in wat de staatkundige ont-
wikkeling vorderde, weinige jaren later de leider moest zijn van
een bewind, waaraan juist het kunstmatig behoud van de liberale
eenheid als vitium originis verbonden was.
De voorgaande bladzijden hadden tot strekking, aan te toonen,
·_ dat partijen, op een algemeen beginsel gebouwd, niet bij machte
zijn, de haar toevertrouwde rol te vervullen en, waar zij dit
l desniettemin pogen, haar doel voorbijstreven.
ii Doch ook al ware dit anders, dan nog bleef het stelsel, zooals
j het bij ons en elders werkt, verderfelijk voor den Staat.
4 De noodlottige practische gevolgen, die het oplevert, vloeien
grootendeels voort uit de permanentie der partijen. Reeds werd
l opgemerkt (pag. 12), dat, dank zij deze, elke partij een afzonder-
j 1) v. Welderen Rengers, ll blz. 138.
I
l