HomeDe Hervormde kerk en de politiekPagina 14

JPEG (Deze pagina), 658.56 KB

TIFF (Deze pagina), 6.50 MB

PDF (Volledig document), 17.31 MB

*0 - ` EQ.
- 12 h ‘
VVant hoe staat de zaak"? ·" ‘
_ Wij onthouden ons van alles, wat naar agitatie, naar _ _'
_ insinuatie of naar groote woorden zwecmt. i
i En zullen de dingen rustig en zakelijk noemen. '
Er is tweeërlei gevaar: Dat de st­rijd ontbrandt over ‘ n
de vraag, wie recht heeft èn dat de politiek zal worden ge­ " j
, bruikt om kerkelijke idealen te realiseeren.
L, Zoo hebben wg het straks gezegd.
E? ` wemu. ' ‘ i
Q _ Art. 20 van het Anti-Revolutionaire Progmm luidt o.a.:
g dat het den staat niet toekomt zich niet de inwendige
aangelegenheden der kerkgenootschappen intelaten;
j. dat, ter bevordering van een meer dan dusgenaainde r'
' scheiding tusschen kerk en staat de verplichting uit-
i art. 171 der grondwet voor de overheid voortvloei-
_' ende na uitbetaling aan de reehthebbenden van het " '
;' rechtens verschuldigde, dient te worden opgeheven.
l
WVij hopen, dat uit de eerst aangehaalde zinsnede voor
vi den staat ook de verplichting moet worden afgeleid, om
p zich niet met de inwendige ontwikkeling der toestanden
e binnen de kerken intelaten. Het zal aanstonds blijken,
j S hoeveel daarmede gewonnen zou zijn.
Het komt ons voor, dat het voortbestaan en het ophef-
fen der verplichting, voortvloeiende uit art. 171, geen van ü
beide iets met de scheiding tusschen kerk en staat heeft _
{ J · uit te staan. In de toelichting toch tot het program § 305
wordt ,,de uitbetaling in hoofdzaak erkend als de kwijting
van een historische verplichting, voortvloeiend uit eige-
ning van goed onde1· aanvaarding van den rentelast."
i x ' Velnu: het maakt principieel absoluut geen verschil, of
(
is