HomeTegenwoordige toestand en plan tot hervorming van het Middelbaar OnderwijsPagina 88

JPEG (Deze pagina), 853.44 KB

TIFF (Deze pagina), 6.93 MB

PDF (Volledig document), 69.37 MB

86
en de toelatings­e:~:amens tot de daar te stellen beroepsscho­
len konden even goed als eind­examens op de middelbare
scholen afgenomen worden. Een diploma van wèl afgeleg-
den vijfjarigen cursus moest der regering bij °t begeven van
posten, waarvoor geen toelatingsexamen is voorgeschreven,
tot gunstig bewijs verstrekken, dat de sollicitant in het bezit
is van kundigheden, die hem na korte praktische oefening tot
een meer geschikt ambtenaar zullen maken, dan dat heirleger
van letterknechten, die, op de kantoren groot gebragt, van
niets buiten hun kantoorbezigheden begrip hebben, en daar-
door tot eene bij hen bijna tot spreekwoord geworden klein-
geestigheid en stuurschheid jegens het publiek zijn vervallen. _
Vanneer wh nu voorloopig het getal van 2500 leerlingen
aannemen, zouden tien scholen voldoende zün. Ook deze
stichte men in de groote steden, maar vooral behoorlijk door
°t geheele land verspreid, omdat deze tak van ’t middelbare
onderwijs veel meer een gemeene zaak is, dan de latijnsche
scholen. De hoofdsteden der provinciën zullen, behoudens
eenige uitzonderingen, door de gemakkelüke kommunikatiên
enz., daartoe best geschikt zijn. Vij stellen deze tien steden
voor: Amsterdam, `s Gravenhage, Rotterdam, °sHertogen-
bosch, l`laastricht, Utrecht, Arnhem, Zwol, Groningen en
I Leeuwarden. Blijkt het, dat de behoefte grooter is, men kan
er meerdere aanleggen.
l Ja, men mag met regt rekenen, dat onze beschaafde eeuw
veel meer van dergelüke scholen vordert in groote steden,
zoo als: Leiden, Haarlem, Dordrecht, Delft, Nümegen, De-
venter, Middelburg, Breda, Schiedam, Gouda, Zutphen; en
' dat er ook meer zouden moeten komen, wanneer de standen,
waarvoor ze bestemd zijn , dien afkeer overwonnen hebben,
waarmee alle hervormingen beschouwd worden.
Juist de algemeene behoefte aan middelbaar onderwijs voor
den beschaafden stand in aanmerking nemende, zou men ligt
de vraag opperen, of het niet raadzaam zou zijn om ook in
kleinere gemeenten dergelüke scholen op kleinere schaal op
te rigten? -­­ Ik meen, dat deze vraag volstrekt ontken-
nend moet beantwoord worden. Zoo toch zou men in ”t zelfde
gebrek vervallen, waartoe de tegenwoordige latijnsche scholen
langzamerhand zijn gekomen, dat namelük uiteenloopende
vakken door denzelfden onderwüzer moeten gedoceerd wor-
‘ g g I