HomeTegenwoordige toestand en plan tot hervorming van het Middelbaar OnderwijsPagina 68

JPEG (Deze pagina), 828.25 KB

TIFF (Deze pagina), 6.92 MB

PDF (Volledig document), 69.37 MB

66
inatikale regelen te moeten onderwüzen en de jongens, als ze
er eenige vorderingen in beginnen te maken, in andere han-
den te moeten overleveren. Daarentegen heeft deze methode
weer dit voorregt, dat de vakken van `t onderwns voor de-
zelfde knapen nu niet zijn opgedragen aan verschillende per- ·
sonen, die vaak een lünregt tegen elkaar indruischende ma-
nier van onderrigten hebben, en die, daar ieder in zijn vak
meestal veel te groote eischen doet, de knapen met werk
overstelpen. Bovendien bieden latijnsche en grieksche taal-
kunde zóó veel punten van overeenkomst aan, dat het niet
weinig tot veraangenaming van ’t onderwijs en tot verduide-
läking van veel punten, zelfs bn de eerste gronden, kan i
bijdragen, als ze aan denzelfden leeraar znn toevertrouwd. ·
De nieuwere methode is, dat elk vak een afzonderlijken
docent heeft, die er aan alle klassen onderrigt in geeft.
Voor deze methode voert men aan, dat zóó de onderwijzer
meer in de gelegenheid zal znn om zich in dat ééne vak te
. volmaken, dan wanneer hij züne krachten aan meerdere te
gelnk moet besteden; dat het voor hein zeer aanmoedigend
is om dezelfde jongelieden van het begin hunner studiën
tot het einde onder zijne leiding te houden, en dat zoo de
jongelieden meer geleideluk telkens van een lagere klasse
tot een hoogere zullen overgaan, zonder dat zich eerst
aan een nieuwen leeraar behoeven te gewennen en in zijn
methode t` huis te geraken. Doch het bezwaar er tegen is
eenzijdigheid, zoowel bn de leerlingen, die altijd den voor-
keur gevende, vaak alleen aan de persoonlijkheid van den
eenen docent boven die van den anderen, ook het vak van
den eersten voortrekken boven dat van den tweeden; en bn
de leeraars zelve, die, zooals wh reeds aanmerkten, door
voorliefde voor hun eigen vak, te veel van de krachten der
jongelieden er in beginnen te eischen.
Zoo ziet men, dat beide methoden haar voor en tegen heb-
ben. De reden, dat men van beide minder goede vruchten
heeft gezien, is, onzes inziens, hierin gelegen, dat men zoo-
wel de eene als de andere te veel voor de geheele school
heeft willen doordrijven.
De behoeften toch van eerstbeginnenden en van meer ge-
vorderden zün niet dezelfde.
Voor eerstbeginnenden acht ik niets nuttiger dan dat zg
!