HomeTegenwoordige toestand en plan tot hervorming van het Middelbaar OnderwijsPagina 48

JPEG (Deze pagina), 848.91 KB

TIFF (Deze pagina), 6.85 MB

PDF (Volledig document), 69.37 MB

i
l I
46
l Züllf ZG Zijll llêt Wêflï, lllOGil YIJGH Zëggüéll, 'Vëlll VBlI€l‘E1ll€Yl,
j van aanstaande professoren: en Vraagt men naar dezen of
genen dier geleerde schrijvers, waar en wat l1ij thans is,
, praeceptor is hh, hoort men, of wacht nog op een praecep-
toraat. Zoo krijgt men achting voor een praeceptor en hoe-
veel meer nog voor een rector! Die namen beginnen in
der daad eertitelen te worden. En heeft men eenmaal zoo
op de personen gewerkt, waarop het toch alles aankomt, dan
eerst kan men ook hopen en vertrouwen, dat de voorschriii-
l ten en verordeningen zullen nagekomen worden: wat zeg ik?
zij stellen zelve aan de besturen, hetgeen niet zelden reeds
plaats heeft gehad, ontwerpen van verbetering voor, die door-
zigt en ondervinding hen heeft doen uitdenken.°°
Doch, vragen wü onwillekeurig, wat baten al die hoog
geprezen eigenschappen, wanneer ze zóó verbrokkeld moeten
( Worden, wanneer de discipelen er ieder zulk een gering aan-
deel van te genieten krügen, als, gelük wh boven aantoonden,
op de kleine lathnsche scholen het geval is? ~~· WVQ komen
nogmaals op dit punt terug, omdat er zoo vele menschen
zün, die het niet schijnen te begrüpen, die meenen, dat, als
zeven docenten voor zeventig leerlingen voldoende zgn, één
docent dezelfde diensten kan bewüzen aan tien leerlingen.
, Hoe vaak hoort men in kleine steden de aanmerking: onze
latrjnsche school met tien discipels is goed bezocht; want
tien leerlingen op vier of vgtiluizeud zielen is betrekkelijk
veel meer dan honderd scholieren in Amsterdam! -
Goed geredeneerd, wanneer °t op handen arbeid aankomt, °
maar slecht toegepast op een zaak zoo als het onderwijs is.
Niet de kwantiteit der leerlingen is hier de maatstaf voor
den arbeid des leeraars, maar wel de kwantiteit der vak-
ken (1), en de kwantiteit der klassen. De gevolgen van
(1) De regering schijnt dit ook te begrijpen . ten minste in het verslag
der hooge, middelbare en lagere scholen over 1854-1855 lezen wij: »«Van
, de 31 latijnsclie scholen, kunnen slechts enkele goed worden genoemd
ip (zijn de gymnaziën dan wel goed ?); de meesten zouden, zoo als zij nu
‘ zgn, zonder groote schade (liever: met groot voordeel) voor het onderwijs
kunnen worden gemist. Niet dat de leeraars onbekwaam of ongeschikt zijn:
op enkele uitzonderingen na kan niet dan met lof van hunne kunde en
hunnen ijver worden gewaagd (NB. de regering weet dat alleen uit de i
( door kuratoren ofrektoren zelve ingevulde statistike tabellen!) Maar het ‘
‘ personeel is over het algemeen te gering. Twaalf scholen (’t was in 1854) `
hebben slechts een , achttien niet meer dan twee docenten (hierbij ook ge-
la
r` E
A