HomeTegenwoordige toestand en plan tot hervorming van het Middelbaar OnderwijsPagina 29

JPEG (Deze pagina), 823.21 KB

TIFF (Deze pagina), 6.84 MB

PDF (Volledig document), 69.37 MB

· l
1 27
l De oorzaken van dien grooten uitwendigen bloei znn niet
' moeüelük op te sporen. Het lagere onderwijs was nog in
l de vorige eeuw meer dan slecht. Er bestonden Fransche
’ scholen, doch ook op die inrigtingen leerde de jeugd bnna
` niets. Vat wonder, dat ieder, die zijnen kinderen eene be-
’ schaafde opvoeding wenschte te geven, ze zoo vroeg moge~
I lük naar de latijnsche school zond, waar ten minste nog
‘ iets leerden? ­­- Zoo lezen wij in de ,, instructie, waernae
den Rector ende die Meesters der latnnsche schoole tot
Doesborgh zich sullen hebben te reguleren” van °t jaar 1654, ,
eene instructie, bijna woordelijk hernieuwd in 1805: ,,(die
Rector) sal oock niemand in die school laeten komen noch .
aennemen, die noch niet lezen noch sc7u·@`ve1z Zccm, ofte dam-
vzm ctlreecle redelic/te amwemck gemcteckt heeft nae discretie
ende erkentenisse.°° Terwül in °t reglement van Sneek van
_ 1585 uitdrukkelijk aan den tweeden praeceptor wordt opge-
. dragen om de jongens het A.B.C. te leeren.
)
L De schoolgelden stelden ook geen bezwaar in den weg
J om de kinderen vroeg naar de latijnsche school te zenden:
, te Doesborgh bedroegen ze in 1654 van zestig ets. tot twee
, gulden in ’t jaar; te Leeuwarden in 1558 van tachtig cts.
tot twee gulden; te Sneek in 1585 van 16 tot 28 stuivers;
i in den Bosch in 1636 twee gulden, °t volgende jaar vier,
_ later acht gulden, doch deze som was te hoog en moest we-
, “ der verminderd worden.
_ Men ziet het, zelfs voor dien tgd waren deze sommen
_ verbazend gering; ook was de klagt over °t sobere inkomen
5 der onderwnzers niet zeldzaam. De jongens kwamen dus
i 5 op dien tgd zeer vroeg, en, wat het ergste is, zeer slecht
1 voorbereid op de latijnsche scholen. Zn leerden derhalve
{ i Latün zonder hunne moedertaal behoorlgk te kennen; van
1 j wiskunde, geschiedenis, enz. was op de scholen geen sprake, 1
[_ `t eenige vak, waarop men zich buiten `t Latän en Grieksch
nog al toelegde, was de schoonsehrijfkunst.
i Nu zou men echter, de den geest vormende kracht van
,; °t Latün in aanmerking nemende, meenen, dat jonge lieden,
1, die zich vijf à zes jaren uitsluitend met die taal bezig hiel-
" I den, een solide kennis op de hooge school meebragten.
Doch, helaas, een groote hinderpaal hiertegen was de onbe-
kwaamheid der onderwüzers. Daar bevonden zich zeker
l
,l
I