HomeTegenwoordige toestand en plan tot hervorming van het Middelbaar OnderwijsPagina 12

JPEG (Deze pagina), 821.49 KB

TIFF (Deze pagina), 6.83 MB

PDF (Volledig document), 69.37 MB

l
7
10
houw-, soliilderkunde, arehitektuur enz.? - Zou niet de
bestemming van `t middelbare onderwijs znn om de jonge
i­ . . . .
1 lieden zoover te ontwikkelen en met die kundieheden toe
> ¤
te rusten, dat zich dadelijk, zonder verdere voorberei-
ding, op zulk eene akadeinie aan `t vak hunner keuze kun-
` ne11 wijden? -- Vrilde men nu het onderrigt aan zulke
akademiën met den 11321111 va11 liooger onderwüs bestempelen,
wij zouden dit geenszins afkeuren Hoe komt, het dat
• • •. '
· de industrie-scholen, waarvan er bg ons te lande een groot ‘
aantal bestaat, zoo slecht zgn ingerigt en zoo weinig vruch-
ten dragen? -- Zou het niet hiervan daan komen , dat
men zich aan die scholen meer moet bezig houden met het
onderwijs in vakken, die tot de wetenschappen der industrie l
voorbereiden, dan met de industrie zelve? ­- Men zie de
programma`s van zulke scholen eens in! - VVat vinden wü
daar als vakken van onderwijs? - Immers Nederlandsche
taal, rekenen, stel~ en meetkunde en ook een weinig natuur-,
werktuig- en teekenkunde. En dit geldt niet alleen voor
kleine plaatsen en mindere inrigtingen, maar de inrigting
voor koophandel en nüverheid te Amsterdam, de technische
school te Utrecht, ja zelfs de akademie voor burgerlnke in-
genieurs enz. te Delft en de militaire akademie te Breda,
men onderzoeke het eens hoeveel tüd daar besteed wordt
aan voorbereidende wetenschappen, voor dat de leerlingen
op de hoogte zijn om onderrigt te ontvangen in de vakken, '
waarvoor zulke scholen en akademien eigenlijk bestemd zijn.
Het noodzakelijke gevolg hiervan is, dat zulke inrigtingen,
waarop de theoriën der verschillende maatschappelijke beroe-
pen onderwezen worden, bn ons te lande uiterst kostbaar
g (11 De regering zelve was eenmaal niet afkeerig van dit denkbeeld ; ten
- minste in de ,,punten van overweging voor de Commissie, bijeengeroepen ten
gevolge Zr. Majesteits besluit van den 13. April l8‘2.S"°, vroeg zij onder an-
deren: ,, zonde, in verband met dit denkbeeld, ook in aanmerking kunnen
komen of niet het oogmerk der bevordering van het onderwijs der nijvere
klassen , allermeest en met de minste vermeerdering van kosten, zoude kun-
nen worden bereikt, door eene of twee der thans bestaande hoogeseholen” ­-
wij waren toen nog met België vercenigd - ,,meer bepaaldelijk voor de tot
den hmzelel, lmzclbomu en fczbrykzvexen behoorende studien te bestemmen, in
den vorm van polyteehnisehe instellingen , waar ook bzergrzr- en kvügszvrzter-
I boin«­Z;«md{q«n, benevens meeheniei zonden kunnen worden gevormd; terwijl
voorts de faculteits­leerstoelen op de andere hoogeseholen zouden worden
vereenigd ?”