HomeEen en ander omtrent het jongste wetsontwerp op het hooger onderwijsPagina 29

JPEG (Deze pagina), 752.05 KB

TIFF (Deze pagina), 6.89 MB

PDF (Volledig document), 20.19 MB

27 »
die over mythologie en antiquiteiten met die over oude lette-
ren verbindt, en met de lessen in nieuwe talen onwillekeurig j
kennisneming van een deel althans der letterkunde verbonden
is. Waarom onder deze laatste het Engelsch zoo karig bedeeld
__ is, en eerst in ’t vijfde of zesde jaar beoefend wordt, terwijl
‘ ’t op de hoogere burgerscholen, zoo goed als 't Duitsch, reeds
in ’t eerste aanvangt, laat zich niet bezeffen. Ook dit laatste E
en niet minder trouwens het Fransch en Nederlandsch vorde- P
ren in de verschillende schooljaren meer tijd, dan er in de
A toelichting van ’t ontwerp aan gegund is. Over ’t algemeen
vordert het gansche overzicht der lesuren dringend herziening. i
In de drie eerste jaren stelle men ’t gerustelijk op go, in
plaats van 26, en dat voor ’t grieksch en latijn op 6 {in plaats
van 7), dan wint men reeds daardoor eenige uren, om aan de
thans wat al te karig bedeelde vakken te wijden. In de latere i I
R jaren -het 46 tot het 76 - geve men toekomstigen genees- i 1
en natuurkundigen, door aanmerkelijke vermindering hunner
latijnsche en grieksche lesuren, gelegenheid, die door deelne-
ming aan de lessen in schei-, kruid-, natuur- en dierkunde aan V
de hoogere burgerschool te vervangen. jammer dat ook aan i.
’t gymnazium echter de kruidkunde niet, zoo goed als de na-
tuurlijke historie in ’t vierde, in ’t derde, en beiden in ’t
_ derde en vierde, als vakken opgenomen zijn Door evenredige
vermeerdering der lesuren dier jaren ware dat evenwel gemak-
_g kelijk te verkrijgen; men zou ze zonder bezwaar met een l
viertal verhoogen kunnen. Zeer juist is - voor de beide laatste
schooljaren -- de opmerking van Rutgers, dat de meerdere
tijd voor vrije studie den aanstaanden student gelaten , onder ;
,,verstandige zorg en leiding" der leeraren, aan de beoefening
der door ieder hunner geliefkoosde vakken besteed worde, i
en dat die leeraren ,,die vrijwillige studien" hunner scholieren
zóó besturen zullen, ,,dat hunne zelfstandigheid toeneemt, 7 .
naarmate zij ouder worden."
Voor ’t stoffelijk belang dier leeraren verdient niet minder
Rutgers opmerking omtrent de pensioens­bepalingen van ’t I
ontwerp de aandacht. Schijnbaar gunstig, dreigen deze feite-