HomeEen en ander omtrent het jongste wetsontwerp op het hooger onderwijsPagina 19

JPEG (Deze pagina), 741.48 KB

TIFF (Deze pagina), 6.88 MB

PDF (Volledig document), 20.19 MB

17
te worden. Een wetenschap, gelijk van zelf spreekt, door
niemand naar den eisch te onderwijzen noch beoefenen, die
niet zelf zich van dat begrip heeft weten los te maken; die nog
- gelijk onze modern-kristelijke of andere Godgeleerden - in
ä dienst van den een of anderen God, in den czgrezzläkwz zin van ’t
woord, werkzaam is of zich opdringt te zijn. Reeds in 18 50 wees ik
er dan ook op, hoe men ,,de godgeleerdheid geheel buiten alle ker-
kelijke bedenking om, en als zuzrxerc zweiezzxa/zap beoefenende , ge-
lijk ik zelf ’t indertijd deed, zich mz aim aawiziaz zaak genoodzaakt
vindt, ieder kerkelijke loopbaan en geheel de kerk zelve er 4 l
aan te geven". Kerkleeraren in deze faculteit te vormen, als
sommigen zich naief genoeg nog altoos voorstellen, is dus geheel
ondoenbaar. Zij moet uitgaan van het denkbeeld, dat de kerk
en haar leerstelsel een voor de wetenschap wel, als menschelijk
ontwikkelingspunt, belangwekkend verschijnsel is, en een doel-
treffend onderwerp van studie en kennisneming uitmaakt, maar
zelve op den duur geen wetenschappelijk houdbaar standpunt
oplevert; dat de wetenschappelijk ontwikkelde, mondige mensch ,
zonder iets hoegenaamd van den levensvollen rijkdom zijner
gewaarwordingen en indrukken prijs te geven, deze kerkelijke
wereldbeschouwing als geheel ondoeltreffend achter zich laat,
en er zich door geen zedelijke noch verstandelijke behoefte
meer toe getrokken voelen kan. In dien zin en uit dat oogpunt
kan dan de universiteits­wetenschap der Godkunde het Gods-
. begrip, en alle daarmee samenhangende uitingen en gewrochten
der menschelijke voorstelling en verbeelding, van de oudste
tijden en van hun eerste wording her, in de verschillende
godsdienststelsels tot dat der moderne Kristenen onzer dagen
toe, nasporen en ontvouwen. Alleen in dezen zin zal dan ook
,,dat onderwijs voor die zuiver wetenschappelijke behandeling",
die het ontwerp zegt te verlangen, ,,vatbaar zijn, en geheel ob-
jectief gegeven kunnen worden". En te recht voegt men er daar-
om bij, dat dit dan ,,niet zoozeer geschiedt met het oog op
de bruikbaarheid der resultaten voor eenig kerkgenootschap,
maar in ’t belang van degelijke studien in ’t algemeen, in
’t belang van kemzzlv en waazheizi". Om kerkgenootschappelijke
2
l