HomeEen en ander omtrent het jongste wetsontwerp op het hooger onderwijsPagina 17

JPEG (Deze pagina), 703.49 KB

TIFF (Deze pagina), 6.85 MB

PDF (Volledig document), 20.19 MB

’15
staande hoogescholen wenschelijk" te noemen, en de daar-
tegen· ,,aangevoerde gronden niet voldoende wederlegd". De
vraag is, of de Kamer haar daarin zal bijvallen. ’t Is inderdaad
te hopen van niet. Slechts onder eene azzzzzqçvläk te vervullen
voorwaarde, zou de vestiging van meer dan eene rijksuni-
i versiteit denkbaar zijn: dat namelijk ieder van deze eene vol-
ledige universiteit ware, eene inrichting, aan welke de volheid
der menschelijke kennis in al hare deelen vertegenwoordigd is.
Daaromtrent is ook Vissering het met ons eens. ,,Indien de staat" ,
schrijft hij (bl. 116), ,,de middelen beschikbaar stellen wil,
om onze drie hoogescholen in stand te houden, 111&EL1`0l/7 wcmr- l
dage, scáillcrmzia zcräzc, zooals de ontwikkeling der wetenschap
nu en in de toekomst dat eischen zal, waarom zou hij het
niet doen ?" (omdat hij het onmogelijk vermag, zouden wij
antwoorden). ,,Doch deinst (hij) daarvoor terug" - en dat
moe! hij wel - ,,dan stem ik met u in: beter eéne goede -
maar dan ook zc/czwzläk g0m’e - universiteit, dan drie of
meer gebrekkige" ‘. Met dit beamenswaard beginsel kan men
de vraag in den zin van ééne rijksuniversiteit beslist achten,
en ’t is zeker zeer gewaagd van Rutgers, over dit punt in zijn
aanteekeningen op ’t ontwerp zoo los heen te loopen. ,,Het
behoud van twee of drie universiteiten kam" - zegt hij -
. ,,onsehadelijk zijn voor het doel van het universiteits­onderwijs , i
indien het enkel een weelde is, die wellicht niet waard is,
wat ze kost, maar die geen afbreuk doet aan de z/001#z'rcj’eZäk-
Acid van dat onderwijs" (alsof dit niet ozzzzcrzzzärlclqk waar).
,,Maar het behoud van twee of drie universiteiten kcm" ­-
neen, mac! noodwendig -­- ,,schadelijk zijn", omdat men na-
melijk, ,,om drie”, of ook maar twee, ,,universiteiten te behou-
den, ze alle drie", of twee, ,,karig" bedeelen mac!. Wilde men
een der twee - want voor Groningen hoort hij, zoo goed als in
1868, ook nu ,,het doodklokjen luiden" - tot een werkelijke
‘ Hij schijnt volstrekt niet ingezien te hebben, dat deze woorden gc~
heel in wcèrspraak zijn met hetgeen wij hem (boven, bl. Io) tegen mij
hoorden aanvoeren.
l