HomeEen en ander omtrent het jongste wetsontwerp op het hooger onderwijsPagina 15

JPEG (Deze pagina), 723.80 KB

TIFF (Deze pagina), 6.84 MB

PDF (Volledig document), 20.19 MB

13
groot voordeel", luidt het ten derde, ,,voor het bestaan van
meer dan eene hoogeschool is de e07ze1¢M’e1zz‘z`eiof liever de
w71mZaz‘z'e". Die wedijver - om ’t liever met dit nederlandsche
woord uit te drukken - zou echter veel beter verkregen wor-
3 den, door geen twee of drie kruimelige rijksuniversiteiten -
r want andere waren van rijkswegen niet denkbaar - te stichten ,
maar naast de eenige rijksuniversiteit, door toekenning van
gelijke rechten, in de hoofdstad een vrije universiteit in ’t le-
ven te roepen, die dan met die van ’t Rijk in den edelsten
A wedijver den bloei der wetenschap bevorderen zou. ,,Elke hoo- j
geschool", schrijft men ten vierde, ,,is een brandpunt van be-
schaving in haren omtrek" g eene maar al te gewaagde stelling
en die ten zeerste nog bewijs vereischen zou; noch de om-
streken van Leiden althans, noch die van Utrecht blinken door `
haar meerdere beschaving uit, of doen van zulk een weldadi-
gen invloed blijken. Buitendien zou het wat te veel gevergd
zijn, om, zelfs al wou men dit aannemen, om deze bijreden
een paar universiteiten meer aan te houden. Iets anders is,
wat Mr. Vissering van het Uonberekenbaar voordeel" schrijft,
,,dat e/ke niet te onbeduidende stad, in haren kring, een brand-
punt van verlichting zij". Daarin wordt echter, over ’t gan-
sche land, door de verschillende hoogere burger- en latijnsche
scholen voorzien. Ten vijfde zoekt men de verdeeling der stu-
denten over drie hoogescholen, als bevorderlijk voor de gron-
digheid der medische, wis- en natuurkundige studien voor te
stellen, om de ,,1neerdere ruimte van plaats en beschikking
over de noodige hulpmiddelen", en ’t voorkómen eener te
groote nophooping van toeschouwers en laboranten". Hoe
het daar dan in Duitschland, bij zijn nog veel talrijker be-
zette universiteiten, wel mee staan mag ; en alsof niet de aan-
zienlijk vermeerderde hulpmiddelen der eene universiteit vol-
stonden, om al haar bezoekers te gerieven! Van nog minder be-
teekenis is eindelijk de zesde schijngrond ,,het samenzijn van
duizend en meer studenten in ééue stad, als niet bevorderlijk
voor de rust en kalmte, tot grondige studie vereischt". ’t Is
waarlijk al wel, dat men niet meer met dien der alarmistische