HomeEen en ander omtrent het jongste wetsontwerp op het hooger onderwijsPagina 12

JPEG (Deze pagina), 716.27 KB

TIFF (Deze pagina), 6.96 MB

PDF (Volledig document), 20.19 MB

l 10
als voorbereiding voor beoefening der wetenschap om haar
zelve".
Aan hoeveel inrichtingen van staatswegen, aan hoeveel rijks-
w1z`1'er.vz`z'ez`z‘e11 zal dat onderwijs verstrekt worden?­-Even als
voor 24 jaar luidt ook thans mijn antwoord, en onvoorwaar-
delijker nog dan toen: aan eene. Binnen onze beperkte grenzen ‘t
kan slechts aan eene rijks-universiteit, in den volsten zin van
’t woord en die ten volle aan haar doel beantwoorden zal,
j zulk een onderwijs gegeven worden; en alle beweegredenen,
zoo door Mr. Vissering als de Memorie van Toelichting, voor
het tegendeel aangevoerd, zijn louter drogredenen, die ’t ge-
makkelijk valt, in al haar onwaarde te doen uitkomen. De
eerste maakt zich daarbij tegenover mij nog aan een redenee-
ring schuldig, die den toekomstigen hoogleeraar der denkleer,
of Zagika, tot voorbeeld zal kunnen strekken van ’t geen men
een valsche sluitrede met een binnengesmokkelden term pleegt
te noemen. Om toch, in 1850, het wenschelijke van een vol-
doende hoogeschool boven een drietal minvoldoende te doen
uitkomen, had ik geschreven: ,,alsof hare kracht in haar aantal
en niet in hare innerlijke gesteldheid bestond; alsof het jam-
merlijk geflikker van zelfs een tiental nachtpitjens halen kon
bij het krachtige licht eener heldere gasvlam". Blijkbaar daarop
zinspelende schrijft nu Vissering in zijne SZaa’ievz.· ,,een voor- ,
stander van het stelsel van centralisatie heeft eens gemeend,
een afdoend argument in het midden te brengen met te zeggen:
als ik märze kamer werlieklea wil, geef ik de voorkeur aan
ééne gasvlam boven 2O nachtpitjes. Maar de beeldspraak loopt
altijd gevaar haar wit voorbij te schieten; en zoo zou men
ook hier kunnen vragen: wanneer het u te doen is, om een
aazzlal kamers Ze geläk te verlichten, en gy er iegevz epziel,
om overal het gaslicht in zijn volle schittering te ontsteken,
zult gij dan niet zelf in elk vertrek een licht brengen, zij het
ook maar een carcellamp of eene waskaars ?” - Ik had een-
voudig de sterkte van ’t licht ter sprake gebracht, en Vissering
neemt de vrijheid, mij daar eerst een ,,kamer" nog bij in de
pen te leggen, om deze vervolgens, met al de behendigheid,