HomeEen en ander omtrent het jongste wetsontwerp op het hooger onderwijsPagina 10

JPEG (Deze pagina), 723.22 KB

TIFF (Deze pagina), 6.96 MB

PDF (Volledig document), 20.19 MB

i 8
einddoel van hun streven gezocht. Zich aansluitende bij het
` gevoelen, in ’t verslag der Commissie van 1848 uitgedrukt:
,,een der beide gezichtspunten uitsluitend aan te nemen, zou
voor de hoogeschool zeer nadeelig zijn", roemt hij deze
,,hoofdgedachte" als schoon en bovenal jmkl, en zegt, dat F
zij, even waar als rijk in gevolgtrekkingen, de grondslag moet
zijn voor elke regeling van het hooger onderwijs". Intusschen
is ook bij dezen dubbelen onderwijs-standaard zijn neiging E
weldra meer naar den kant van ’t goud gericht, vooral uit een W
professoren-oogpunt, bij wijze der ,,aristokratie van den geest”
(gcesleläkc aristokratie, gelijk hij zichzelf minder gelukkig uit-
drukt ') , bekeken. Met dezen naam, gelijk met dien van ,,bloem i
der natie", uitsluitend op de akademische professoren en stu- ,
dcnten toegepast, doet hij trouwens dien der polytechnische ‘
school, gelijk ’t middelbare onderwijs in ’t algemeen tegenover
het hoogere, onrecht. ,,De wet op het lager onderwijs", zegt
hij te recht, ,,heeft de breede grondslagen gelegd voor alge-
meene volksontwikkeling; de wet op het middelbaar onder- `
wijs de middelen geschapen, om de beschaving onzer burger-
klassen tot een hooger peil op te voeren"; en dit is zeker ;
volkomen waar. Doch die wet, die ook de Delfsche school in
haar bepalingen omvat, heeft tevens meer gedaan dan dat, '
en een niet minder wetenschappelijk onderricht, dan ’t hoogere,
door niet minder wetenschappelijk gevormde mannen dan de
overige professoren, voor hen, die van haar gebruik willen j
maken, beschikbaar gesteld; zoodat het nu ten slotte niet
heeten mag: ,,de Wet op het hooger onderwijs zal de degelijke
wetenschappelijke vorming van de bloem der natie hebben te
verzekeren". Voor een deel toch is daarin door die middel-
baar-onderwijswet reeds voorzien; een punt, door den schrijver
hier geheel uit het oog verloren, doch waardoor zijne voor-
stelling blijkbaar mank gaat. Maar dit daargelaten, wijkt hij
‘ Zoo spreekt hij ook van ,,het gesstclyèe leveu", bedoelende dat van
den geest, daar gcetvtelglê ten onzent nu eenmaal een louter kerkeZq`ke be-
teekenis erlangd heeft. Z
l