HomeDe school en het wetsontwerp tot regeling van de positie van vrouwelijke rijksambtenaren en onderwijzeressen bij het openbaar laPagina 24

JPEG (Deze pagina), 852.49 KB

TIFF (Deze pagina), 6.59 MB

PDF (Volledig document), 16.39 MB

IV
Art. 2. De uitzondering sub a geformuleerd vindt reeds in de algemeene be-
schouwingen hare motivecring. Die sub b en c sluiten zich daarbij aan. In
cerstgenoemd geval, dat nl. de ambtelijke bezigheden kunnen worden verricht,
zonder dat de echtelijke woning wordt verlaten, zal gewoonlijk ook de geboorte
van kinderen wel niet beletten, dat de vrouw én haar huishouden én hare be-
trekking behoorlijk kan waarnemen. En hetzelfde geldt, indien het ambt slechts
een onbeduidende nevenbetrekking vormt welke slechts op weinig tijd beslag
legt. Daar het constateeren van dit uitzonderingsgeval echter moeilijk op ob-
jectieve criteria kan berusten, is de beslissing dienaangaande, omringd met de
noodige waarborgen, in handen van de Kroon gelegd.
Art. 3. Onder dit artikel zijn samengevat de onderseheidene wijzigingen welke
de Lageuondcrwijswet behoeft om de gemeente-besturen te nopen, een zelfde
' gedragslijn tegenover hunne onderwijzeressen te volgen als de Staat tegenover
zijne vrouwelijke ambtenaren. In beginsel ware er natuurlijk veel voor te
zeggen, dat de gemeente, en wellicht ook provincie en waterschap, tegenover al
hare vrouwelijke ambtenaren in denzelfden geest handelde. Nochtans meent de
ondergcteekende, dat althans voor het tegenwoordige kan worden volstaan met
de categorie van gemecnte­ambtenaren, wier bezoldiging voor een belangrijk
deel door het Rijk wordt betaald en wier taak een gebied bestrijkt, dat onder
de souvereiniteit van het hooger gezag is gesteld.
Na het bovenstaande, schijnt alleen de uitzondering onder art. 30bis geformu-
leerd, nog eenige toelichting te behoeven. Zij wijkt in zoover zakelijk af van de
uitzondering ten behoeve van Rijksambtenaressen toegelaten, dat het daar sub
b. gestelde geval hier niet is overgenomen, terwijl de casuspositie, onder c ge-
dacht, hier scherper kon worden omschreven. De omstandigl1eid,dat de echtelijke
woning binnenshuis gemeenschap heeft met het schoolgebouw kan voor de
onderwijzeres geen reden opleveren om na haar huwelijk nog gehandhaafd te
blijven. Immers, nagenoeg steeds zal in dit geval slechts verkeeren het hoofd
der school en deze functie vergt zóó zeer den ganschen mensch, dat zij althans
met het moederschap zich slecht vereenigen laat.
De uitzondering sub b van art. 30bis kan doorden gemeenteraad slechts worden
geconstateerd onder goedkeuring van de Kroon. Het schijnt gewenscht,ter wille
· van de eenheid der toepassing van het beginsel, het hoogste centrale gezag met
die taak te belasten. ,
Art. 4. Een ecnigszins ruime overgangsbepaling mag noodig heeten, omdat
de voorbereidsclen voor het huwelijk. van betrekkelijk langen duur plegen te
zijn. Intusschen dient de bevoegdheid erkend om vrouwelijke ambtenaren en
~ onderwijzcresseu, ook al is op haar de overgangsbepaling toepasselijk, te ver-
wijderen. Waar ontslag bil huwelijk reeds gebruik was, of van te voren aan-
gekondigd, zou de wet anders een geheel ongemotiveerde bevoorrechting mee-
brengen. Vandaar de facultatieve formuleering van art. 4.
De Illznister van Binnenlandsche Zaken.
V (W. g.) HEEMSKERK.
l;
l