HomeDe school en het wetsontwerp tot regeling van de positie van vrouwelijke rijksambtenaren en onderwijzeressen bij het openbaar laPagina 23

JPEG (Deze pagina), 808.80 KB

TIFF (Deze pagina), 6.56 MB

PDF (Volledig document), 16.39 MB

l
l
­ MEMORIE VAN TOELICHTING.
Reeds kort na zijn optreden heeft het Kabinet zich rekenschap gegeven van
het standpunt tegenover de vrouwelijke ambtenaren, die in het huwelijk treden,
in te nemen. Verschillende omstandigheden hebben er evenwel toe geleid, dat
l dit onderwerp niet zoo spoedig aan de orde kon worden gesteld, als de onder-
-{« geteekeude wel gaarne had gewenseht. Is aanvankelijk beoogd bij algemeenen
i maatregel van bestuur de vereischte regelen in het leven te roepen, nadere over-
weging stelde in het licht, dat slechts bij de wet in deze materie op bevredigende
wijze kan worden voorzien. Al aanstonds reeds, omdat het derogeeren aan som-
mige wetsbepalingen gewenscht bleek. Maar vooral ook met het oog op de om-
standigheid, dat de kwestie welke het hier geldt, in hooge mate actueel is voor
de onderwijzeressen bij het openbaar lager onderwijs. En juist te haren opzichte
kan, zonder aanvulling van de wet, geen bevredigende voorziening worden ge-
troffen. De Regeering meende trouwens deze slotsom, welke strookt met de be-
schouwingen, door den ondergeteekende in de vergadering der Tweede Kamer
.. van 5 December 1907 ontwikkeld, te eerder te kunnen aanvaarden, omdat zij
er prijs op stelt een zoo belangrijk onderwerp dat tot uiteenloopende zienswijzen
aanleiding geeft, niet dan in overleg met de Volksvertegenwoordiging te regelen. l
De onderhavige wetsvoordracht steunt, gelijk met het oog op de door het
Kabinet beleden beginselen wel geen verwondering zal wekken, op de grondge-
dachte, dat als regel de huwende ambtenares niet in haar ambt kan worden
gehandhaafd. De ethische en sociale motieven welke voor dit standpuntplciten,
zijn te bekend dan dat daarover hier in herhaling zou zijn te treden. Genoeg l
zij het, nogmaals in herinnering te brengen, dat een tegenovergestelde gedragslijn
als het ware uitlokt tot het bezigen van middelen om het huwelijk kinderloos
te doen blijven. Immers, aan het intreden van zwangerschap zijn als regel ge-
_ volgen verbonden welke de ünancieele positie der echtgenooten e1·nstig bedreigen.
Deze overweging leidt er echter toe, om, wanneer of uit hoofde van den leef-
tijd der vrouw geen uitzicht op zwangerschap bestaat, oi de consequentiëu
daarvan niet tot blijvend geldelijk nadeel voor het echtpaar behoeven te leiden,
uitzondering op den regel te gedoogen.
ARTIKELEN.
Art. 1, eerste lid, tweede en derde zinsnede. Billijk mag het heeten aan de
ambtenares die ter zake van huwelijk, uit ’s lands dienst wordt ontslagen, hare
reeds betaalde bijdragen voor eigen pensioen te restitueeren, indien zij althans
hare aanspraak op pensioen verliest, en ook geen recht op pensioen kan doen
gelden. Een dergelijke regeling is trouwens in overeenstemming met hetgeen
de burgerlijke pensioenwet bepaalt ten opzichte van ambtenaren die wegens
ziekte van hun ambt worden ontheven. De bijdragen voor weezen-pensioen be-
hooren niet te worden teruggeven, al ware het slechts omdat men, ook na het
verbreken van den ambtelijken band, deelgerechtigd in het tonds kan blijven.