HomeDe school en het wetsontwerp tot regeling van de positie van vrouwelijke rijksambtenaren en onderwijzeressen bij het openbaar laPagina 16

JPEG (Deze pagina), 819.70 KB

TIFF (Deze pagina), 6.57 MB

PDF (Volledig document), 16.39 MB

I4
ander oog zien dan zijne eigen moeder? Bovendien moet ook deze
zaak tot de juiste proporties worden teruggebracht en mag niet
worden vergeten, I". dat lang niet alle onderwijzeressen zullen j
huwen, ook al hebben zij er de vrijheid toe; 2°. dat gehuwde onder-
wijzeressen niet altijd en onafgebroken in die levensperiode ver-
keeren. Daarbij is nog onlangs, en mijns inziens zeer terecht, door
Mejuffrouw Anna Polak, de Directrice van het Nationaal Bureau
van Vrouwenarbeid, opgemerkt, dat, in het algemeen genomen,
het verlangen naar beroepsarbeid binnen huwelijk voor de vrouw
niet ligt in den Nederlandschen volksaard. Dit blijkt, vervolgt zij ,
dan, daaruit dat in die industrieën, waar het loon van den huis- ir
vader hooger en stabieler wordt, de arbeid der gehuwde vrouw
van zelf, zonder dwangbepalingen, afneemt; en dezelfde verschijnse-
len, meent zij, doen zich gelden in den ambenaarsstand. Inderdaad _
i mag worden verwacht, dat bij vermeerdering van welstand in het
l gezin, door promotie van den echtgenoot of wat ook, de gehuwde
l ambtenares allicht de gelegenheid zal aangrijpen om haar ambt
of betrekking neder te leggen.
De tijd, waarin het jonge kind aanhoudende moederzorg eischt, ï
kan bovendien door eene billijke regeling der plaatsvervanging =
j (te Amsterdam is dit reeds gebleken), zonder groote schade `voor
l het onderwijs oordeelkundig worden verlicht; in ieder geval veel al
lichter worden gemaakt voor de aanstaande moeder dan in de
j bedrijven, waar men de onderwijzeres­moeder heen drijft door haar
te bannen uit de school. Eene dergelijke periodieke vervanging
ware trouwens aequivalent te achten aan de gewone periodieke ver-
vanging van den onderwijzer wegens militairen dienstplicht. j
l 5-
, III.
Zij, die onderwijs ontvangen.
i Maar al worden onderwijzers en onderwijzeressen beiden door
het wetsontwerp tot regeling der positie van onderwijzeressen en
Rijks-ambtenaressen, die in het huwelijk treden, direct getroffen:
de school is er niet om hen: zij zijn er om de school. Het zwaarte-
punt der zaak ligt dan ook in den invloed, dien het wetsontwerp,
eens Wet geworden, mag worden verondersteld te zullen hebben
op de scholieren. Die invloed is mijns bedunkens moeilijk te over-
schatten. De toekomst van al onze jonge meisjes is er feitelijk bij
in het spel en dus ook die van onze jongens, welke van de toe-
komst onzer meisjes nu eenmaal niet is te scheiden. De groote