HomeDe opvoedende beteekenis van de voor allen toegankelijke volksschool, in het licht der geschiedenis van het lager onderwijs en dPagina 45

JPEG (Deze pagina), 674.16 KB

TIFF (Deze pagina), 7.14 MB

PDF (Volledig document), 92.94 MB

ïl
45 tit

godsdienst als gemoedsstemming, bg het onderwijs tcdat
’ wil zeggen, in den toon, waarin dit gegeven wordt, aan
het kind voelbaar wordt, hangt er van af, of de onder-
wgzer de religieuse gemoedsstemming zelf bezit. ;
In dien zin kon minister v. n. BRUGGHEN terecht verklaren,
dat <<Gods woord>> van de school niet wordt geweerd, al
i mag de Staat op de staatsschool niet opdringen, hetgeen
haar door den Staat niet mag opgelegd worden.
Voor een ding heeft de Staat te zorgen, dat het voorschrift
van_de grondwet: <<eerbiediging van ieders godsdienstige jj
begrippen>>, getrouw wordt nageleefd. Dat is het eerbiedigen
van ieders recht, dat hij, als zelfstandige persoonlijkheid il
heeft, om een eigen denkbeeld, een eigen overtuiging te
i hebben; het eerbiedigen van zgn recht, om ook denkbeelden
te hebben, die in mgn oog onjuist, verkeerd zijn. gj
Wanneer ik een anders godsdienstig gevoelen eerbiedig,
ii dan eerbiedig ik niet alleen den inhoud van zgn geweten,
maar ook het recht dat hg heeft om, even als ik, een
eigen overtuiging te hebben. tl
' De tweede zinsnede van §2 van art. 23 van het ontwerp,
waarbij den onderwijzer was opgelegd: «hg prent aan de
kinderen dien eerbied in en wekt hen op tot onderlinge
verdraagzaamheid en iiefde>> werd in die wet niet opge-
nomen, omdat men meende, dat dit inprenten bg de jeugd,
die nog geen vaste begrippen heeft, onverschilligheid omtrent
j alle godsdienstbegrippen kon tengevolge hebben.
Ook was men van oordeel, dat ten aanzien van de
kinderen niet van verdraagzaamheid in zake godsdienst-
begrippen mocht worden gesproken in een wet, waarin,
volgens de Ptegeering, alleen sprake mocht zijn van christelijke
zecleleer, terwgl de geloofsleer daarvan volstrekt gescheiden
moet gehouden worden. Dit was ongetwijfeld juist.