HomeDe opvoedende beteekenis van de voor allen toegankelijke volksschool, in het licht der geschiedenis van het lager onderwijs en dPagina 36

JPEG (Deze pagina), 743.74 KB

TIFF (Deze pagina), 7.05 MB

PDF (Volledig document), 92.94 MB

Q ao
l in het ontwerp vm REENEN door de uitdrukking in art. 23,
l § 1 der wet van 1857, als een tegemoetkoming aan de
` bezwaren der Christenen kon worden aangemerkt?
l Immers, door de uitdrukking, dat het ondemogs moet
worden dienstbaar gemaakt aan de opleiding tot alle christe-
i tgke en maatschappeig/te deugden, werd, nog duidelijker dan
in het ontwerp VAN BEENEN, gezegd, dat het te doen was i
om zedeig/te karaktervorming, om opvoeding tot deugden,
weliswaar niet alleen tot maatsohappelgke deugden, welke
l voortvloeien uit het leven in een geordende maatschappij,
l waarvan het kind straks tot zelfstandig burger zal opgroeien,
l maar nu ook tot cliristetg/te deugden, welke de uitvloeiselen
T zgn van de algemeene zedelijke opvatting, zooals deze in
den christelgken godsdienst is geworteld en door dezen
l tot algemeen menschelijke opvatting is geworden. Aan de
T opleiding tot zedelgkheid, niet tot godsdienst, moet, volgens
R de wet van 1857, het onderwijs dienstbaar zgn. Dat nu,
1 in tegenstelling met de wet van 1806, de christelijke deugden
in de eerste plaats worden genoemd, wil zeker beteekenen
dat de persoonlijke deugden vóór de maatschappelgke gaan.
Bg de behandeling van de wet in de 9Zdê kamer, bleek
het onmogelgk, te voldoen aan de wensohen van degenen,
die uit motieven, ontleend aan hun geloofsovertuiging, een
bepaald godsdienstige richting aan het openbaar onderwijs
wilden gegeven zien, omdat de meerderheid, evenzeer uit
motieven van godsdienstigen aard, met die richting zich t,
niet kon vereenigen.
Werd dan nu voldaan aan het voorschrift van art. 1194
i der grondwet, dat de inrichting van het openbaar onderwijs
moet worden geregeld, met eerbiediging van ieders gods-
dienstige begrippen?
l De godsdienstige begrippen van de minderheid, van de