HomeDe opvoedende beteekenis van de voor allen toegankelijke volksschool, in het licht der geschiedenis van het lager onderwijs en dPagina 34

JPEG (Deze pagina), 733.98 KB

TIFF (Deze pagina), 7.02 MB

PDF (Volledig document), 92.94 MB

l
34
i (gezindten), waartoe de schoolgaande kinderen behooren
(art. 21), door welk verbod immers de bijbel van de
· openbare school werd geweerd.
Deze adressen van de zgde der «christelijke vrienden»
l hadden tengevolge, dat het ministerie aftrad. j
j De opvolgende minister SIMONS stelde zich wel voor,
Y middelen aan te wenden, om de tegen het nu vervallen ,
L ontwerp aangevoerde bezwaren weg te nemen en nu een j
gezamenlijke regeling van het lager-, middelbaar- en hooger 1
onderwijs te ontwerpen, maar hij trad af, zonder een
j daartoe strekkend wetsontwerp te hebben ingediend.
g Zijn opvolger, mr. A. G. A. van Barman, bood den
l 21 Februari 1857 het ontwerp van wet aan, dat, eenigszins
A gewüzigd, op 9.0 Juli door de tweede en den 12 Augustus
door de eerste kamer werd aangenomen en den dag daarop
# volgende door den koning werd bekrachtigd.
' In welk opzicht was nu in de wet van 1857 te gemoet
gekomen aan de bezwaren tegen het ontwerp vAN REENEN?
Door de omschrijving in laatstgenoemd ontwerp, dat het
j onderwijs dienstbaar moet zgn aan de bevordering van
zedelgkheid en godsdienst, te wijzigen in dien zin, dat in
de nu aangenomen wet werd gelezen: het onderwgs wordt
dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstande-
lgke vermogens der kinderen en aan hanne opleiding tot
alle christelijke en maatschappelgke deagden, wat ook
reeds stond in de wet van 1806, met dit verschil, dat
dáár de maatschappelijke deugden het eerst werden genoemd.
j Hierbij werd behouden het verbod <<iets te leeren, te doen
i of toe te laten wat strgdig is met den eerbied, verschuldigd
aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden (art.
j 23, § 1 en
» De nu voorgestelde bepaling van het ontwerp, dat, waar