HomeDe opvoedende beteekenis van de voor allen toegankelijke volksschool, in het licht der geschiedenis van het lager onderwijs en dPagina 25

JPEG (Deze pagina), 653.77 KB

TIFF (Deze pagina), 7.00 MB

PDF (Volledig document), 92.94 MB

{
al
ze {
secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken van i
30 Mei 1806, werd de verwachting uitgesproken <<dat, tenge- `
volge van de nieuwe schoolinrichting, een behoorlük en j
welingericht onderwijs in den christelijken godsdienst, voor J
zoover deszelfs geschied- en zedekundig gedeelte betreft,
zou kunnen worden ingevoerd».
‘ Zoozeer was de wetgever van 1806 overtuigd, dat voor
D het oprichten van bijzondere scholen voortaan geen reden
meer zou zijn, dat hij strafbaar stelde ieder die uit eigen
beweging <<zich zou mogen verstouten, een lagere school
op te richten.»
De wet van 1806, door het Nut krachtig gesteund,
bevredigde dan ook jaren lang inderdaad zoowel recht-
zinnigen als vrü zinnigen. Roomsch-katholieken en Protestanten
zongen het lied van vriendschap en vrede. Dat in 1808 "
door Lodewijk Napoleon een dekreet werd uitgevaardigd,
waarbij predikanten en geestelüken der onderscheidene
gezindheden niet meer benoembaar verklaard werden tot ii
leden der commissiën over het openbaar onderwijs, was
een bewijs, dat men van de kerk nog te veel invloed op
de godsdienstige richting van het onderwijs vreesde. Maar ïl
toen de fransche overheersching ten einde was, gaf de l
vorst bevel, dat <<de wet van 1806 bij voortduring zou
worden beschouwd als de grondslag van de nederlandsche
schoolinriclitingem . i
·, Doch van af 1823 begonnen de klachten over en het
verzet tegen de richting van ons omlerwüs in ’talgemeen
en tegen de wet van 1806, waarin die richting was be-
lichaamd, in het bijzonder. Dit verzet kwam van de zijde
der dogmatische christenen. Da Costa’s ttbezwaren tegen
den geest der eeuw>> luidden den strijd in, hoewel Da _
Costa de schoolwet zelve onaangetast liet. ;_
2.