HomeDe klassieke opvoedingPagina 22

JPEG (Deze pagina), 1.05 MB

TIFF (Deze pagina), 13.35 MB

PDF (Volledig document), 80.73 MB

XX VOORREDE
i 1 de studie der klassieken. Ik heb dat ,,daadwerkelijk" onder-
vonden. Eerst door de studie van Latijn en Grieksch is bij mij
het taalgevoel tot ontwikkeling gekomen.
Het tweede argument, dat ik hiervoren noemde, het vergeten
·i zejn van het Grieksch, is al even ondeugdelijk. Wij stuiten hier,
j het zij met bescheidenheid gezegd, op een treffend gemis aan
psychologisch inzicht. Ik laat nu maar buiten beschouwing of
1 ten slotte het aantal studenten en afgestudeerden, dat van het
, Grieksch niet alles is vergeten, nog niet mee zou vallen. Van het
argument op zich zelf zou ik dit willen zeggen: het feit, dat
men al zijn Grieksch is vergeten, beteekent nog niet dat men
het Grieksch te vergeefs heeft geleerd. Ik bedoel hier niet de
waarde van de studie als ontwikkeling van het denkvermogen,
9 discipline van het verstand, hersengymnastiek; als zoodanig
zou het Grieksch zeker nog een hooge plaats innemen ten op-
· zichte van andere vakken, welke men vergeet. Ik heb het oog
op datgene, waarop de officier van het Nederlandsche leger
Enklaar reeds tien jaar geleden in zijnbrochure ,,Wel Grieksch"
heeft gewezen, n.l. dat dat vergeten zijn spoedig blijkt niets
meer te betreffen dan de parate feiten-kennis 1). Iemand, die al
zijn Grieksch is ,,vergeten", zal na een zeer korte studie - de
een na eenige dagen, de ander na eenige weken of maanden -
Homerus en Plato, het Nieuwe Testament, enz. vlot kunnen ,
lezen. Nu zou men kunnen zeggen, dat men daar niet zoo zeker
van is, maar, mij dunkt, een dergelijke ervaring zal menigeen, op
--- A
1) Dat de Sehr. in dat voortreüelijke boekje tot de conclusie komt dat de juristen D
wel zonder Grieksch kunnen, vindt ik heel jammer; nog meer zou ik die conclusie _
betreuren als de Sehr. zelf jurist was. Nu vermoed ik dat hij zich niet voldoende 8 7dg regel V_ O_ Staat; ee ­ gymI1aSlElSï€l’1, l€€S I B ' gYmn3SlaSt€n‘
heeft ingedacht in de beteekenis van de juridische studie en vooral in de beteekenis 26 8ste I­_ v_ boven, Staat; QHZC grootste, lees: Onze'? grootste"'
van het jurist­zijn: het beoefenen van de ars boni et aequi, het betrachten van de ” 28 nOOt’ 2de I·_ v_ O_ Staat; in, lees 2 is. _
W órxaaoaóvq, het plaatsen van zijn gaven, van zijn doen en laten in dienst van het Z 29 16de r, v, b, staat: studie welke, lees: welke Studlc.
, R°°ht· in dienst van Th°mis‘ ,, 33 5d<·= r. v. b. staat: grooten rol, lees: groote rol.
49 laatste r. v. o. staat: de algeheele, lees: den algeheelen.
Z 50 12de r. v. b. staat: in den, lees: in de.
50 noot, 9d<= r. v. 0. staat: in den, lees: in de.
Z 59 5de r. v. b. staat: weken, lees: werkenäen naam.
,, 65 lsw r. v. b. achter Brouwer, invoegleàiliott Dr. J, dè Bruin