HomeEen woord over het achtste hoofdstuk der staatsbegrootingPagina 5

JPEG (Deze pagina), 1.03 MB

TIFF (Deze pagina), 7.80 MB

PDF (Volledig document), 13.22 MB

j ` uw-M­~”`~i v W mv ff.
l i
t
ip
ïï
F nomen omdat schijnbaar voor deze ollieieren niet in dezelfde tnate als bij anderen
moet gedaeht worden aan tde gehiedende noodzakelijkheid ," waarvan de Me·
., morie van toelichting gewaagt. Toch kan ook hier een argument in het voor-
j deel der genoetnde categorie van officieren worden bijgebragt , dat nl., bij de
tegenwoordige hooge prijzen der paarden, de f 200, die hun jaarlijks per
fi dienstpaard worden toegelegd, tot dat doel volstrekt noodig zijn, wil men
l althans voortdurend met eenig regt kunnen vergen dat de ollieier behoorlijk
; bereden zij. Van dit standpunt uitgaande, en /' 200 per jaar en per paard even
i ‘ als vroeger noodig aehtende, zal nu de bereden luitenant in de toekomst, na
` aftrek der verhooging, hem tot aankoop en onderhoud van paarden en harna-
` eheinent toegelegd , minder traktement genieten dan diegenen onder zijne wapen-
A broeders , waarmee hij tot heden , na aftrek zijner verhooging voor een of twee
’ paarden, was gelijk gesteld. l
li Dat het verhoogen van de traktementen der suhalterne ollieieren alles behalve
; weelde is , zal, naar wij vertrouwen, gereedelijk ingezien en erkend worden ,
en het zou ons ten hoogste verwonderen bijaldien de voorstellen des ministers .
uit dien hoo/de in de Kamers eene ernstige bestrijding ondervonden. Het geval is
zeer goed denkbaar en zelfs meer dan waarsehünlijk , dat eenige der kamerleden,
die toeh ook het leger vertegenwoordigen, met den minister zullen verschillen in
gevoelen omtrent de vraag hoe de vermeerdering moet geregeld worden; maar nie-
mand hunner zal, naar wij vertrouwen, beweren dat de verhooging niet noodig t
is. Integendeel gelooven wij de onderstelling geregtvaardigd dat die leden der
Vertegenwoordiging, welke meer in ’t bijzonder met de behoeften der ollieieren j
bekend zijn, niet zullen nalaten den minister te prijzen wegens het initiatief ten
deze genomen, maar ook tevens zullen wijzen op het ontoereikende van den l
‘ ontworpen maatregel. Wij zouden welligt te ver gaan indien wij van de 'l`weede
p Kamer durl'den verwachten dat zij het hoofd van ons krijgsbestuur ongevraagd
de middelen zou verleenen om de traktementsvermeerdering met het begin van
het volgende jaar uit te strekken, minstens tot alle luitenants van het leger;
en toch kan het bij niemand aan twijfel onderhevig zijn dat den minister niets
` aangenamer zou geweest. zijn, dan zijne aanvrage zoo ver te kunnen uitstrek-
Bl ken, en dat alleen bedenkingen van finantiëlen aard hem belet hebben ditmaal
meer van de Kamer te vergen. Mogt dus uit den boezem der Tweede Kamer
een amendement opgaan om de posten voor de traktementen der officieren met
eenige duizend gulden te vermeerderen, zoodat dien ten gevolge de verhooging
7 van de bezoldiging der luitenants algemeen werd en alle luitenants hunne waar-
E lijk niet te ruime bezoldiging mogten vermeerderd zien met /' ·l00 ’sjaars, wij
` houden het voor ont.wijfelhaar dat de minister zoodanig amendement met vreugde J
zou aannemen, om daardoor andermaal een blijk te geven, hoezeer het hem
ii ernst is de belangen van de ollicieren te behartigen. il
“ De unil'ormverandering, die aanvankelijk voor de infanterie is vastgesteld, - {
doch, gelijk van algemeene bekendheid is, weldra ook de andere wapens zal W
treilen , mag, bij het bespreken der traktementsvermeerdering, niet geheel on­
vermeld blijven. Wij onthouden ons evenwel van elk oordeel omtrent dien maat-
. regel op zich zelf, omdat daarbij ligtelijk onze ·tvo«_>i·ilen bitter , onze taal scherp
t lt
i
e, te W _? { ll "wy