HomeEen woord over het achtste hoofdstuk der staatsbegrootingPagina 13

JPEG (Deze pagina), 1.01 MB

TIFF (Deze pagina), 7.92 MB

PDF (Volledig document), 13.22 MB

t t
artillerie bestaat uit elf kompagnien veld­­artillerie, twee kompagniöu artillerie-
trein en een depot, en in drie of vier verschillende plaatsen garnizoen houdt,
dan moet men waarlijk verbaasd staan hoe voor zulk een gering bedrag in
zoovele vakken, de schoone kunsten zelfs niet vergeten , onderwijs kan gegeven
worden, en dat alsdan nog eene flinke som overgehouden wordt, waarvan de
bibliotheek voor de otïicieren van het korps geheel op de hoogte wordt ge-
houden van al het merkwaardige, dat op militair-letterkuudig gebied het licht
ziet. Wij hoorden onlangs iemand de bewering volhouden dat er in enkele op-
zigten werkelijk weelde in het leger heerscht, zoo als o a. in de militaire
administratie, het personeel van het departement van oorlog, enz. Tegen die
bewering zullen wij niet opkomen; maar wel bestrijden wij de meening, zoo
die bij iemand mogt aangetroffen worden, dat er, bij de korpsen , gelden ver-
kwist worden tot oefening van het personeel.
En nu: last not least. De XVde afdeeling, bevattende de pensioenen, levert bij
Art. 45 de verblijdende- maar tevens ontmoedigende ­- uitkomst op, dat aan-
d gezien de pensioenen, die sedert Julij l8G!e tot Julij 1865 ten gevolge van over-
lijden zijn vrijgevallen , met ongeveer f 55.000 de pensioenen overtreffen, welke
in hetzelfde tijdvak verleend zijn , de voor dit artikel over 1866 henoodigde som
derhalve met een gelijk bedrag als het bovengemelde lager heeft. kunnen gesteld
. worden , dan voor het. loopende jaar is toegestaan.
Verblijdend noemen we die uitkomst voor hen, die aan den eindpaal staan
7 hunner militaire loopbaan en aan wie, krachtens de wet, het pensioen zou kunnen
. worden verleend; zij kunnen daarin het bewijs zien , hoezeer het des ministers
streven is om niet dan hoog noodig het oudere, en waarom zouden we ’t.er
niet bijvoegen, meer ondervindingrijke element uit het leger te verwijderen.
Ontmoedigend echter noemen we haar voor hen, die in lagere rangen oud zijn
geworden en bij het klimmen der jaren, ten laatste aan bevordering beginnen
t te wanhopen.
Maar wat vragen we toch naar persoonlijke belangen, dáár waar alleen het
, welzijn, de ontwikkeling, de deugdelijkheid van het leger regt van stem hebben.
`Waar zulke factoren spreken behoort men niet af te meten, wie persoonlijk
benadeeld, wie bevoordeeld wordt. Bovendien , niemand wordt in zijne regten
l verkort, waar het de erkenning geldt van meerdere levenskracht. bij den jon-
gere van jaren, die met ijver, met lust , met liefde, met al wat in hem
· leeft, werkzaam wil zijn op den weg hem aangewezen; niemand wordt ver-
‘ ongelijkt, wanneer, met eerbied voor de meerdere ondervinding van den oudere
I van dagen , met waardering van de diensten door hem bewezen, de waarheid
, op den voorgrond wordt gesteld , dat bij een hoog gevorderden leeftijd het bloed
i trager in de aderen wordt voortgestuwd en het helderziend oog van vroeger,
nu de last der jaren begint te drukken, niet meer zoo veel omvat. Daar
schuilt geene verwatenheid of oneerlijkheid in het hart van den jongere van
, geest, indien deze minder levenskracht en daardoor ook mindere voortvarend-
j heid aan den oud geworden krijgsmakker toekent dan hij zelf bezit.; want
wordt. dit oordeel op den verderen levensweg niet op hem zelven van toepas- l
l ‘
~ j e we,
. ,/e"
ll l` I tcäïtlá/T ~’
.; j l. /_/,.xJ§ï« ‘ _,