HomeEen woord over het achtste hoofdstuk der staatsbegrootingPagina 11

JPEG (Deze pagina), 1.03 MB

TIFF (Deze pagina), 8.14 MB

PDF (Volledig document), 13.22 MB

. [ K
Q t
Wij gaan thans het onlangs door die commissie uitgebragte verslag met stil··
zwijgen voorbij - welligt vinden wij gelegenheid hierop later terug te komen ­­-­
en bepalen er ons toe de hoop uit te drukken, dat ditmaal eene schitterende uit··
zondering de waarheid kome bevestigen van het axioma dat men, om eene zaak
op de lange baan geschoven te zien, niet beter kan handelen dan hare regeling
i aan eene commissie op te dragen of wel van het gevoelen eener commissie
afhankelijk te maken. Merkwaardig zijn de woorden in het verslag voorko-
mende , waarin bij de regering wordt aangedrongen op het trelfen van afdoende
maatregelen om op het gewilde oogenblik over een genoegzaam aantal goed bruik-
bare verdedigers t.e kunnen beschikken , ten einde aan het defensiestelsel kracht
en leven bij te zetten, daar onze organlsatiën daarin zeker zullen te kort
schieten. Maar er zal ook niemand gevonden worden die deze waarheid be-
t.vvijfelt; niemand die in gemoede zal volhouden en met bewijsgronden zal kunnen
staven dat de organisatie van ons leger , dat zijne oefening niet dringend her-
vorming eischen. Er kunnen in onze geschiedenis tijdperken aangewezen wor-
den, waarin het legerbeheer met groote, bijna onoverkomelijke bezwaren ge-
paard ging; nnaar wat men te vergeefs in de geschiedenis zal zoeken is een tijd,
waarin op militair gebied zooveel te wijzigen , te verbeteren, te herscheppen is
als in de dagen welke wij beleven. De taak van hem, die in zulke tijden ge-
roepen wordt om als hoofd van het krijgsbestuur op te treden, is in waarheid
benijdenswaardig. Verre van zich binnen enge grenzen te moeten beperken, van
in kleinigheden voedsel t.e moeten zoeken voor een geest die naar werkzaamheid
9 dorst, behoeft een minister van oorlog in Nederland heden ten dage slechts naauw-
lettend gade te slaan wat overal om ons heen voorvalt , eigen toestanden te t
toetsen aan den algemeenen vooruitgang, en eene keuze te doen uit het vele
dat nog te doen overblijft. Zoo is het regelen der kustverdediging sedert lang
eene levensvraag voor Nederland geworden; verzuimt men langer de marine
uit te breiden , de kustversterkingen te voltooijen en te vermeerderen, de kust-
artillerie te verbeteren en de troepen tc scheppen die in oorlogstijd onze kusten
moeten verdedigen , dan stelt men stilzwijgend ons onafhankelijk volksbestaan in
i· de waagschaal , dan geeft men, uit traagheid om te handelen, uit besluiteloos­·
heid in het nemen van al'doende maatregelen , uit onverschilligheid omtrent onze
dierste belangen, het erl`deel der vaderen prijs aan den vreemdeling, die welligt
reeds het gretig oog op den rijken buit gerigt houdt. Daarom moet ieder die
het wèl meent met het vaderland hopen en verlangen dat spoedig eene be-
slissing worde genomen en , de noodige gelden toegestaan zijnde, de handen
aan het werk worden geslagen. Het regelen, niet alleen der kustdefensie ,
maar ook der geheele landsdefensie is eene bij uitstek nationale zaak, die alle
Nederlanders even na aan het harte behoort te liggen; daartoe bij te dragen,
daarop met alle kracht aan te dringen, is niet alleen geoorloofd, het is pligt
voor elk regtgeaard vadcrlander.
Wij gewaagden zoo even ter loops van de oefening van het leger. Vreesden
wij niet dat de lezer, die ons tot hiertoe welwillend heeft gevolgd, ons het Q
verwijt zou doen dat wij hamerden op een aanbeeld, waarop reeds zee lang, l

l
1 ,
iT` » .
7 ,{ 1 I-­,_